Online onderwijzen?


Bij één deelnemer begint op de achtergrond een kind te huilen. Bij mij dreigt Bommel, onze aandacht zieke huiskat, op mijn toetsenbord te gaan zitten. 

Welkom bij online onderwijs. 

De afgelopen week gaf ik mijn eerste online seminars. Natuurlijk was ik vooraf bang dat zoiets zou gebeuren. Je modereert een bijeenkomst in de kostbare tijd van deelnemers en wil dat dat in opperste rust en concentratie kunnen doen. Gek genoeg voelde deze laatste bijeenkomst – het was de laatste groep van een serie van vijf, verdeeld over twee dagen – met afstand als de beste. De informele verstoringen gaven precies de ruimte voor de persoonlijke toon die in life bijeenkomsten zo normaal is, maar online bij mij tot nu toe ontbrak. Het is niet mijn favoriete vorm, online onderwijzen. Er zijn flinke valkuilen en ik ben deze eerste keer ook in verschillende daarvan getuimeld. 

Drie valkuilen en hoe die te vermijden:

  1. Praten praten praten

Online lessen hebben snel de neiging een college te worden. Of de groep nu groot of klein is, de interactie wordt dan snel minder. Het verhaal van de docent voert de boventoon, niet het leren van de deelnemers. Een hoorcollege van een uur kan alleen door zeer geïnteresseerde deelnemers met krachtig werk geheugen van begin tot einde gevolgd worden. Er is niks mis met een goed verhaal, maar houd het kort. En daarna weer (denk) vragen stellen.

2. Een grote groep

Grote groepen leiden tot vrijblijvendheid in deelname. In werkelijkheid geef je dan alleen les aan die paar die het horen willen. Verschillende korte bijeenkomsten met groepjes van circa vier deelnemers, is effectiever dan een middag online met 25.

3. Geen persoonlijk contact

Zoom in! Zet een (deelvraagstuk) centraal, en ploeg dat in vijf of tien minuten met één deelnemer door heen. De anderen mogen meeluisteren, vragen stellen, maar ook even mentaal afhaken. Gebruik daarbij een verhelderend plaatje of schema, zodat er meer te zien is dan een ‘talking head’. Wissel tussen deelnemers, afhankelijk van hun vragen maar zeker ook willekeurig.

4. Keurslijf

Er is een neiging het ‘netjes’ te willen doen. De losheid die je in een lokaal wellicht wel had, glipt je in het keurslijf van het format uit de handen. Daarmee wordt het afstandelijk en verdwijnt een belangrijke voorwaarde van goed onderwijs: verbinding. Die huilende baby en het mekkeren van Bommel hebben mijn bijeenkomst gered. ’He stelletje boeven, al uit bed allemaal’, kon wel eens een betere start zijn dan ‘Welkom bij de online leereenheid celdeling’. 

Samengevat, bij online bijeenkomsten is het gevaar dat er meer wordt onderwezen dan geleerd nog groter dan in ‘life’ onderwijs. Dat vraagt extra scherpte in voorbereiding en uitvoering zonder dat die losse, verbindende toon, daarbij verloren gaat. Dat is nog niet zo simpel, dat weet ik nu ook. 

We zitten er nog wel even aan vast aan online onderwijzen. Zeker in het MBO en Hoger Onderwijs.  Het is niet te hopen dat het een blijvertje wordt, in elk geval niet in de mate waarin het nu gebruikt wordt. Daarvoor is het te beperkt in zijn mogelijkheden in vergelijking met goed ‘life’ onderwijs. Ik zit er noodgedwongen met een aantal docenten die ik begeleid nog wel even aan de online vorm vast. Het is wat mij betreft wel een misvatting te denken dat online lesgeven ‘lekker makkelijk’ is vergelijking met life. Het vraagt veel concentratie. ik was na drie sessies van een uur volslagen uitgeteld.

Ga ik er mee door? Wat mij betreft vooralsnog wel. Die laatste bijeenkomst gaf hoop.



Lees verder / reageer

Leren regisseren?

Het idee waart op veel opleidingen rond: de student of leerling moet de regie nemen over het eigen leren. Vermoedelijk komt dat denken voort uit inzichten over het  belang van autonomie, zelfsturing en leren. 

Autonomie, zelfsturing, zelfstandig leren, is één van de basisbehoeften van elk mens. Zonder voelbare autonomie rest ons slechts gehoorzaamheid. Het is belangrijk dat er in het onderwijs voldoende ruimte voor zelfsturing is voor docenten en deelnemers. Maar ruimte voor zelfsturing bieden is iets anders dan helemaal niet meer sturen, alles aan het initiatief van de student overlaten. Jongeren in de leeftijd van MBO en HO zitten nog volop in de ontwikkeling van hun identiteit. Als je niet weet waar je bent en waar je naartoe gaat, is zelfsturing een onmogelijke opgave. Voor zelfsturing is veel zelfkennis nodig. Cognitieve zelfkennis; wat weet ik, kan ik en wat niet, emotionele zelfkennis; wat boeit mij, waar word ik boos om, wat leidt mij af, en existentiële zelfkennis; waar wil ik met mijn leven naar toe.  Dat zijn grote vragen als je nog volop in ontwikkeling bent. Arnold Cornelis sprak in zijn omvangrijke werk ‘De logica van het gevoel’ niet voor niets over ‘communicatieve zelfsturing’; in samenspraak met je omgeving doen wat goed voor jou is en niet schadelijk voor anderen. 

En nu moet de zestien of zeventienjarige, net klaar met het voortgezet onderwijs waar veelal 100% sturing door de docent de norm is, ineens zelf de regie nemen? 

Voor het nemen van regie is dus kennis nodig. Niet alleen de genoemde zelfkennis. Om leren te kunnen regisseren is ook inzicht in de inhoud noodzakelijk. Zonder dat is het onmogelijk vast te stellen welke leeractiviteit bij welke leervraag past. In de theater en film wereld is goed nagedacht over de rol van de regisseur. Een regisseur werkt met zijn acteurs op basis van grondige kennis van het stuk en de achterliggende gedachten. Het is op basis van kennis van die inhoud en de kenmerken van de speler dat de regisseur verschillende  suggesties doet, waarna de ‘acteur’ kiest wat bij hem past. Dat is iets anders dan in je uppie het internet afstruinen naar het antwoord op je vraag. Een regisseur weet de speler verschillende mogelijkheden te bieden, organiseert het oefenen daarmee, en helpt de acteur zijn inzichten zichtbaar te maken. Zonder kennis van de inhoud verwordt regie gemakkelijk tot oppervlakkige adviezen. Met deze metafoor in gedachten terug naar het onderwijs. 

In verschillende onderwijsinstituten waar ik kom, gebruikt men het woord ‘regie’, zonder dat zorgvuldig is nagedacht over wat daaronder wordt verstaan en wat je nodig hebt om regie te kunnen voeren. Regie vraagt dus in de eerste plaats om kennis. Zoals de toneelregisseur hierboven het stuk door en door moet kennen, de woorden, de achtergrond, de bedoeling, om zijn acteurs te helpen die te verbeelden, moet de regisseur van het leren de inhoud grondig kennen om passende leeractiviteiten te kunnen suggereren. Die kennis ontberen de meeste studenten aan het begin van hun leerproces. Het vraagt ook zelfkennis. Als de student de regisseur van het eigen leren is, moet zij ook enige structuur in haar werken aan kunnen brengen, afspraken met zichzelf en anderen nakomen, hoofd en bijzaken kunnen scheiden. De student als regisseur van het eigen leren veronderstelt dus inhoudskennis, zelfkennis en enige structuur kunnen aanbrengen in je leren en werken. Heel veel studenten zijn op die leeftijd nog niet zover en missen de stabiliteit in hun leefomgeving om dat zelf te ontwikkelen. Ook voor een ervaren volwassene kan dat nog elke dag moeilijk zijn. We vragen van de student als regisseur van het eigen leren iets wat we zelf ook lang niet elke dag kunnen opbrengen.

Leren regisseren. Wat doen we er mee? Is de student of de begeleider/docent aan zet? Het antwoord is allebei! De regie uitsluitend aan één van beiden overlaten is zelden een goed idee. Goed doordachte keuzes bieden kan een belangrijke stap naar autonomie zijn. Studenten helpen de goede keuzes te maken, en hen vervolgens aan die keuze houden, helpt hen zichzelf te leren kennen. Niet een regie voorschrijven, maar hen helpen die zelf te ontwikkelen.

Daarvoor zijn begeleiders/docenten nodig met grondige kennis van de inhoud, kennis van de effectiviteit van verschillende leeractiviteiten en kennis van hun studenten. Docenten die het mooie mengsel van ruimte geven en eisen stellen beheersen. Dat is geen geringe opgave. Zonder die kennis en kunde is de regie over het leren bij studenten leggen voor begeleider èn student een brug te ver. Leren regisseren stelt hoge eisen aan de docent, begeleider, coach of hoe je haar of hem ook maar wilt noemen. Maar is dat niet juist wat het vak zo boeiend maakt?

Lees verder / reageer

Samenwerkend Leren, juist nu!

Het werk lag stil. Weken kropen voorbij. Het werd zomervakantie. Tijd te over, honderd-en-één klusjes, maar ook eindelijk de gelegenheid wat langer achtereen aan één thema te werken. Bij het zoeken naar min of meer wetenschappelijke achtergronden bij Samenwerkend Leren was ik al verschillende keren de naam Allport tegengekomen. Hij schreef in 1954 The nature of prejudice, een omvangrijk litteratuur onderzoek naar vooroordelen in Amerika in de tijd van de opheffing van  rassenscheiding in het onderwijs en de opvattingen daarover lijnrecht tegenover elkaar stonden.

Allports boek verheldert veel en heeft weinig van zijn actualiteit verloren. Opnieuw zijn er rellen, zijn er over en weer beschuldigingen en worden de discussies over Black lives matter, zwarte piet en het Nederlandse slavernijverleden met weinig nieuwsgierigheid naar de achtergrond van elkaars standpunten gevoerd. Verdiepende gesprekken blijven uit, vooroordelen hebben het hoogste woord. 

Interessant is te lezen hoe Allport haarscherp de voorwaarden voor effectief contact tussen groepen met verschillende etnische achtergronden formuleert. Die criteria lijken een blauwdruk voor wat later de onderwijsstrategie Samenwerkend Leren is geworden. Allport noemde het de contacthypothese en zijn uitgebreide studie lezend, dringt de indruk zich op dat het een van de weinige methode  is waar op de lange duur effect van te verwachten valt. 

Zijn boek laat zich lezen als één groot pleidooi voor het structureel inbouwen van Samenwerkend Leren strategieën in het onderwijs, van basisschool tot universiteit. De laatste twintig jaar is Samenwerkend Leren in Nederland vooral gepropageerd uit oogpunt van effectief leren. Hardop zeggen wat je denkt leidt tot dieper leren dan stil voor jezelf werken, Samenwerkend Leren maakt het leren hoorbaar en zichtbaar, argumenten die door de in het onderwijs populaire onderzoeker John Hattie krachtig werden ondersteund. Het argument van sociale interactie raakte daarbij op de achtergrond. 

De maatschappelijke onrust van nu maakt duidelijk dat het argument van sociale interactie tenminste zo belangrijk is als dat van effectief leren. Traditioneel vorm gegeven onderwijs doet weinig om de kloof tussen verschillende groepen te overbruggen. Allport maakt duidelijk dat louter kennis van het verleden nauwelijks iets aan onze vooroordelen verandert. Het gaat om werkelijk contact; niet voor de gezelligheid, maar doelgericht vormgegeven, precies zoals de theorie van Samenwerkend Leren voorschrijft. Samenwerkend leren is als strategie is inmiddels een jaar of zestig oud, maar heeft niets aan actualiteit verloren.

Voor wie dat wil heb ik een uitgebreide samenvatting van het gedachtengoed van Allport ter beschikking. Voor onderwijsmensen lijkt me dat verplichte kost. Op verzoek wordt die u toegestuurd.

Lees verder / reageer

Kennis, Rosanna & Maurice

In haar column in het NRC van afgelopen zaterdag schrijft Rosanne Hertzberger dat wetenschappers  meer naar mensen als Maurice de Hond zouden moeten luisteren. Ik zou het omgekeerde willen bepleiten. Het is volstrekt onzinnig te denken dat er een inhoudelijk productieve dialoog ontstaat tussen iemand die zich sinds drie maanden voor een onderwerp interesseert en een wetenschapper met een opleiding van vele jaren gevolgd door decennia van kennis verbinden en verdiepen. Het is alsof Max verstappen verplicht wordt zijn bochtentechniek te verdedigen tegenover iemand die pas drie maanden zijn rijbewijs heeft. Natuurlijk, de Hond mag, mits bewust van zijn beperkte kennis, vragen stellen. Dat is iets anders dan met die zeer beperkte kennis op een toon van zeker weten de discussie aan willen gaan. De Hond heeft drie maanden veel gelezen. Dan heb je informatie verzameld. Niks meer, niks minder. Dat is iets anders dan over diepe, breed verankerde kennis over een thema beschikken. De Hond kan zijn informatie niet rijmen met de beslissingen. Verwarrende informatie is een goede start voor een zoektocht. Maar dan moet je eerst heel lang vragen stellen en niet al bij de start doen alsof jij het antwoord hebt. Je standpunt uitstellen en echte vragen stellen. Geen vragen die hengelen naar de bevestiging van jouw prille mening, maar vragen die de wetenschappers aan het denken zetten. Maar ja, goede vragen stellen is nu eenmaal vele malen moeilijker dan een vooringenomen standpunt verdedigen. Hetzelfde geldt in zekere mate voor Rosanna Hertzberger. Als ik het goed heb begon ze ooit als microbioloog, maar is ze al weer een jaar of tien publiciste en weg uit het onderzoek, de plek waar werkelijke wetenschap bedreven wordt. Ook dan past vragen stellen beter dan een stevige opstelling.

Lees verder / reageer

Zwarte bladzijden

Iedereen boetseert de ervaringen in zijn of haar hoofd tot een verhaal waarmee te leven valt. Is de grachtengordel in Amsterdam met zijn monumentale panden een cultuur-icoon om trots op te zijn en een reklame voor ons land, of het tastbare bewijs van gewetenloos winstbejag van onze voorvaderen? Trots voelt prettiger dan schaamte, dus wint bij de meeste mensen de roze versie het van een verhaal met tenminste net zoveel zwarte bladzijden. Coetzee schreef samen met de psychiater Annabel Kurtz een mooi boek over dat mechanisme; Het goede verhaal. Hoe wij de eigen bijdrage aan onze biografie ongemerkt zo bijkleuren dat er goed mee leven valt. 

Over elke geschiedenis kun je verhalen schrijven vanuit verschillende gezichtspunten. Welk verhaal je het overtuigendst vindt, zegt ook iets over jou. De schaduwzijde klein maken omdat het in die tijd ‘heel gewoon’ was, getuigt van een smalle blik op de wereld buiten de eigen cultuur. 

Ik hoop niet dat onze nakomelingen over twee eeuwen schrijven, dat je de holocaust als begrijpelijk onderdeel van het tijdsbeeld van de 19e eeuw moet zien. 

(Deze column verscheen eerder als ingezonden brief in het NRC)

Lees verder / reageer

Droomschool

Op de een of andere manier lukte het me niet om het programma Dreamschool tot het einde toe uit te kijken. Niet alleen als serie, ook bij elke aflevering; na een kwartiertje mijn best doen was ik er elke keer helemaal klaar mee. Het idee lijkt niet verkeerd. Neem een ploegje jongeren die om allerlei redenen in het reguliere onderwijs hun draai niet gevonden hebben en naar de rand van de maatschappij afglijden. Zet ze in een nieuwe, kansrijke omgeving, voed ze met allerlei inspirerende voorbeelden en zorg voor betrokken begeleiders met kennis en ervaring, aandacht en uithoudingsvermogen. Het klinkt als een kansrijk concept. Waar ging het dan mis?

Waarom laat Dreamschool een smaak achter van trash-tv, terwijl 100 dagen voor de klas mij direct voor zich wist te winnen? Ook in die serie kwamen we een paar jongeren tegen die zo in Dreamschool gepast hadden. Het is alle twee reality tv, niet mijn favoriete genre, maar dat kun je blijkbaar op verschillende manieren maken. Ik twijfel geen moment aan de goede bedoelingen van Lucia Rijker en Eric van ’t Zelfde. Ik denk dat alle twee het hart op de goede plaats hebben. Maar bekende Nederlander zijn is geen garantie voor integere en kwaliteitsvolle televisie. Van ’t Zelfde is een ervaren schooldirecteur en kreeg bekendheid als de inspirerende rector van een school in oorlogsgebied. Wat bezielde hem dan om uitgerekend in dit programma in te stemmen met een gastles door het zelfbenoemd orakel Maarten van Rossum? Dan ben je het spoor even bijster. Of overruled door programmamakers. Onze hoofdrol spelertjes waren vogeltjes voor de kat. Porno-TV noemt mijn nichtje dat. Elke docent met meer interesse in de eigen inhoud dan in zijn leerlingen, stuurt op een debacle af. Exit van Rossum. Zijn werk is goed betaalde lompheid met een air van ‘zo zit het nu eenmaal’ gedompeld in een vederlicht academisch sausje aan de man te brengen. Het is entertainment ten koste van je groep. Het was voor deze jongeren het zoveelste bewijs dat je voor ouderen geen respect hoeft te hebben. En dat wat ze zeggen er niet toe doet. Van ’t Zelfde had dat kunnen voorkomen. Nu mocht de kijker zich even amuseren met het spektakel. En Lucia Rijker? Ze barst van doorzettingsvermogen, vasthoudendheid en interesse in ‘haar klasje’. Maar met dat, veel invoelend vermogen en wat psychologiseren kom je er niet. Al helemaal niet als dat leidt tot dooddoeners als ‘als je het werkelijk wilt, kun je alles bereiken’. De mythe van de maakbaarheid met een likje positieve psychologie. Die uitspraak is een directe belediging aan het adres van al die jongeren die in het zelfde schuitje zitten en niet op tv komen. 

Dreamschool is een mislukte mix van goede bedoelingen en de drang naar kijkcijfers. Als er nog een seizoen komt is het beter naar een andere regisseur en producent om te kijken. Wellicht dat praten met de VPRO en de mensen van ‘100 dagen voor de klas’ een idee is. In de formule zit best een integer programma. Maar niet zo. En als dat niet lukt? Misschien moet van ’t Zelfde dan maar gewoon gaan doen waar hij goed in is; een school leiden. En Rijker? Neem je groepje maar mee je sportschool in. Doe het met ze in plaats van er over te praten, en laat die camera maar weg.

Lees verder / reageer

100 dagen voor de klas

Het zit er op voor Tim den Besten en Nicolaas Veul. Honderd dagen voor de klas met niet meer op zak dan een ultra korte crash cursus en een berg goede wil. Dat laatste hebben ze erg nodig gehad. Beiden erkenden de laatste dag ruiterlijk dat ze opgelucht waren dat het er op zat. 

100 dagen voor de klas. Het had gemakkelijk een reality-docu van het niveau ‘Jouw huis – Mijn huis’ kunnen worden, maar dat werd het gelukkig niet. Heel Nederland kon nu eens van dichtbij zien wat je allemaal moet kunnen om leraar of lerares op een school voor voortgezet onderwijs te zijn. ‘Het is een vak’, werd menigmaal verzucht. Dat klopt, een vak dat veel kennis en heel veel vaardigheid vereist. Bijvoorbeeld de vaardigheid om snel een klassensituatie te lezen zoals een piloot in zwaar weer zijn instrumenten leest. Welke signalen kan ik in deze situatie negeren en welke moet ik heel serieus nemen. Moet ik nu op mijn intuïtie vertrouwen of juist een time-out nemen en even rustig nadenken. Welke van de tips die in de lerarenkamer door de lucht vlogen moet ik nu gebruiken? Veel beginnend docenten hebben een jaar of twee nodig om vaste grond onder hun voeten te krijgen, om te leren vertrouwen op hun eigen kunnen. En daarvoor zat dan al een gedegen opleiding van een jaar of vier, met veel stage, de kunst afkijken bij ervaren vakmensen en zelf uitproberen. Tim en Nicolaas hadden maar honderd dagen. Op het moment dat het wat begon te worden, de ergste schrik voorbij was en de belangrijkste lessen geleerd, was het al weer voorbij. Tim en Nicolaas weten voor eens en voor altijd dat het een vak is, leraar zijn. Geen bezigheid of ‘een beetje aanleg en dan lukt het wel’. 

Aanvankelijk leek Nicolaas het meest getalenteerd met zijn overdosis enthousiasme, interesse in leerlingen en de relativering van de eigen rol, maar hij struikelde over een beginnersfout. Nicolaas vertaalde in zijn poging overeind te blijven de onderwijswet ‘altijd eerst verbinding maken met leerlingen’ naar ‘ik moet vriendjes met ze worden’. Daarmee ontwikkel je geen gezag. En zonder gezag rest slechts macht. Dan is de verbinding weg. Zijn leerlingen voelden dat haarscherp aan: eerst aardig doen en als het daarmee niet lukt bozig maatregelen nemen. Dan ben de ze kwijt.

De serie liet ook zien dat leerlingen laten leren door buitenstaanders zoals Tim en Nicolaas als vanzelfsprekend wordt vertaald met ‘ik vertel en jullie luisteren’. Op een enkele les na ging het over leerstof presenteren en opdrachten maken. Leren vraagt meer regie dan alleen dat. Denken op gang brengen bij vijfentwintig onrustige pubers die allemaal op hun eigen manier aandacht vragen, vraagt om vakmanschap dat je niet zomaar uit je mouw schudt.

Het is mooi dat de VPRO het zo integer in elkaar zette en dat de school en leerlingen zich wilde laten zien. Of het leraarschap als beroep voor jonge mensen die voor een studiekeuze staan er ook interessanter door is geworden, weet ik niet. Het werd heel duidelijk dat je ‘leraar zijn’ niet even uit je mouw schudt en dat het heel hard werken is. Dat is ook winst. Misschien zijn we nu van die domme gedachte af ‘dat als je nergens goed in bent, je altijd nog leraar kan worden’. Niks daar van: het is een vak.

Lees verder / reageer

Online onderwijzen

De Volkskrant schreef onlangs dat de corona crises een sprong voorwaarts voor het online onderwijs betekent. Een sprong voorwaarts? Het is prima dat het nu zo kan. En een deel van de winst die we daarmee boeken t.o.v. traditioneel onderwijs, moeten we proberen vast te houden als dit allemaal achter de rug is. Bijvoorbeeld met het online zetten van de perfecte (hoorcollege-) les over bepaalde thema’s zodat elke leerling toegang krijgt tot het verhaal van de allerbeste docent. Of door met bijvoorbeeld Teams ook buiten ‘lesuren’ contact te houden met projectgroepjes of leerlingen die door omstandigheden niet naar school kunnen. Maar een sprong voorwaarts? Laten we in vredesnaam niet gaan denken dat online onderwijs een goede les kan vervangen. Het is een hulpmiddel, niets meer en niets minder. Zelfs een heel goed uitgevoerde online les komt in kwaliteit van leren niet in de buurt van een goede ‘life’ les. En middelmatige ‘life’ lessen, worden helemaal een belabberd online gebeuren. Dat wordt bevestigd door digitaal heel ervaren collega’s. Collega’s die geen enkele moeite hebben met allerlei ondersteunende appjes en internetprogramma’s en kunnen ze lezen en schrijven met hulpmiddelen zoals Teams, maar die, niet onbelangrijk, ook heel goede docenten zijn zonder al die hulpmiddelen. Juist die collega’s blijken sceptisch als over een omslag naar digitaal onderwijzen gaat. In een goede les draait het om verbinding met je deelnemers, het voortdurend sturen op leeractiviteiten; het doelgericht en creatief omgaan met het leerproces in de groep. 

Een paar jaar geleden zag ik een ‘one-man-band’ optreden op een feestje. Met een soort electronisch orgel wat allerlei instrumenten weer kon geven, begeleidde de zanger zichzelf bij een 25 jaar goud van oud repertoire. Hij zong best goed, en alle instrumenten klonken net echt, maar een echt swing feestje wilde het niet worden. De muziek miste iets. Het was allemaal te foutloos, te geconstrueerd, net echt. Het miste de creativiteit van een life optreden met een drummer, gitarist, bassist en zanger die werkelijk met elkaar spelen. Zo is het ook bij lesgeven met Teams. Best aardig, maar nooit zo goed als in werkelijkheid. Het krijgt nooit de kwaliteit van life muziek. Door de klas lopend een leergesprek regisseren is iets anders dan met de knoppen leerlingen afwisselend het woord geven. Hoe soepel je ook met Teams-functies als poll, chat of break-out rooms kunt werken; een echt goede les wordt het niet. 

Online onderwijs kan een nuttige aanvulling op contact onderwijs zijn. Bijvoorbeeld met de perfecte uitleg, die iedereen zo vaak kan bekijken als hij wil, of wellicht in plaats van dat ene ongelukkige lesuur vrijdag het zevende waardoor leerlingen drie tussenuren zouden hebben. Of even een check-up met dat projectgroepje dat al twee lessen buiten school actief is. Maar laat het de goede les niet vervangen. Online programma’s zoals Teams zijn een hulpmiddel, niets meer en niets minder.

Goed onderwijs kan niet zonder goede les. 

Lees verder / reageer