Online onderwijzen?


Bij één deelnemer begint op de achtergrond een kind te huilen. Bij mij dreigt Bommel, onze aandacht zieke huiskat, op mijn toetsenbord te gaan zitten. 

Welkom bij online onderwijs. 

De afgelopen week gaf ik mijn eerste online seminars. Natuurlijk was ik vooraf bang dat zoiets zou gebeuren. Je modereert een bijeenkomst in de kostbare tijd van deelnemers en wil dat dat in opperste rust en concentratie kunnen doen. Gek genoeg voelde deze laatste bijeenkomst – het was de laatste groep van een serie van vijf, verdeeld over twee dagen – met afstand als de beste. De informele verstoringen gaven precies de ruimte voor de persoonlijke toon die in life bijeenkomsten zo normaal is, maar online bij mij tot nu toe ontbrak. Het is niet mijn favoriete vorm, online onderwijzen. Er zijn flinke valkuilen en ik ben deze eerste keer ook in verschillende daarvan getuimeld. 

Drie valkuilen en hoe die te vermijden:

  1. Praten praten praten

Online lessen hebben snel de neiging een college te worden. Of de groep nu groot of klein is, de interactie wordt dan snel minder. Het verhaal van de docent voert de boventoon, niet het leren van de deelnemers. Een hoorcollege van een uur kan alleen door zeer geïnteresseerde deelnemers met krachtig werk geheugen van begin tot einde gevolgd worden. Er is niks mis met een goed verhaal, maar houd het kort. En daarna weer (denk) vragen stellen.

2. Een grote groep

Grote groepen leiden tot vrijblijvendheid in deelname. In werkelijkheid geef je dan alleen les aan die paar die het horen willen. Verschillende korte bijeenkomsten met groepjes van circa vier deelnemers, is effectiever dan een middag online met 25.

3. Geen persoonlijk contact

Zoom in! Zet een (deelvraagstuk) centraal, en ploeg dat in vijf of tien minuten met één deelnemer door heen. De anderen mogen meeluisteren, vragen stellen, maar ook even mentaal afhaken. Gebruik daarbij een verhelderend plaatje of schema, zodat er meer te zien is dan een ‘talking head’. Wissel tussen deelnemers, afhankelijk van hun vragen maar zeker ook willekeurig.

4. Keurslijf

Er is een neiging het ‘netjes’ te willen doen. De losheid die je in een lokaal wellicht wel had, glipt je in het keurslijf van het format uit de handen. Daarmee wordt het afstandelijk en verdwijnt een belangrijke voorwaarde van goed onderwijs: verbinding. Die huilende baby en het mekkeren van Bommel hebben mijn bijeenkomst gered. ’He stelletje boeven, al uit bed allemaal’, kon wel eens een betere start zijn dan ‘Welkom bij de online leereenheid celdeling’. 

Samengevat, bij online bijeenkomsten is het gevaar dat er meer wordt onderwezen dan geleerd nog groter dan in ‘life’ onderwijs. Dat vraagt extra scherpte in voorbereiding en uitvoering zonder dat die losse, verbindende toon, daarbij verloren gaat. Dat is nog niet zo simpel, dat weet ik nu ook. 

We zitten er nog wel even aan vast aan online onderwijzen. Zeker in het MBO en Hoger Onderwijs.  Het is niet te hopen dat het een blijvertje wordt, in elk geval niet in de mate waarin het nu gebruikt wordt. Daarvoor is het te beperkt in zijn mogelijkheden in vergelijking met goed ‘life’ onderwijs. Ik zit er noodgedwongen met een aantal docenten die ik begeleid nog wel even aan de online vorm vast. Het is wat mij betreft wel een misvatting te denken dat online lesgeven ‘lekker makkelijk’ is vergelijking met life. Het vraagt veel concentratie. ik was na drie sessies van een uur volslagen uitgeteld.

Ga ik er mee door? Wat mij betreft vooralsnog wel. Die laatste bijeenkomst gaf hoop.



Lees verder / reageer

100 dagen voor de klas

Het zit er op voor Tim den Besten en Nicolaas Veul. Honderd dagen voor de klas met niet meer op zak dan een ultra korte crash cursus en een berg goede wil. Dat laatste hebben ze erg nodig gehad. Beiden erkenden de laatste dag ruiterlijk dat ze opgelucht waren dat het er op zat. 

100 dagen voor de klas. Het had gemakkelijk een reality-docu van het niveau ‘Jouw huis – Mijn huis’ kunnen worden, maar dat werd het gelukkig niet. Heel Nederland kon nu eens van dichtbij zien wat je allemaal moet kunnen om leraar of lerares op een school voor voortgezet onderwijs te zijn. ‘Het is een vak’, werd menigmaal verzucht. Dat klopt, een vak dat veel kennis en heel veel vaardigheid vereist. Bijvoorbeeld de vaardigheid om snel een klassensituatie te lezen zoals een piloot in zwaar weer zijn instrumenten leest. Welke signalen kan ik in deze situatie negeren en welke moet ik heel serieus nemen. Moet ik nu op mijn intuïtie vertrouwen of juist een time-out nemen en even rustig nadenken. Welke van de tips die in de lerarenkamer door de lucht vlogen moet ik nu gebruiken? Veel beginnend docenten hebben een jaar of twee nodig om vaste grond onder hun voeten te krijgen, om te leren vertrouwen op hun eigen kunnen. En daarvoor zat dan al een gedegen opleiding van een jaar of vier, met veel stage, de kunst afkijken bij ervaren vakmensen en zelf uitproberen. Tim en Nicolaas hadden maar honderd dagen. Op het moment dat het wat begon te worden, de ergste schrik voorbij was en de belangrijkste lessen geleerd, was het al weer voorbij. Tim en Nicolaas weten voor eens en voor altijd dat het een vak is, leraar zijn. Geen bezigheid of ‘een beetje aanleg en dan lukt het wel’. 

Aanvankelijk leek Nicolaas het meest getalenteerd met zijn overdosis enthousiasme, interesse in leerlingen en de relativering van de eigen rol, maar hij struikelde over een beginnersfout. Nicolaas vertaalde in zijn poging overeind te blijven de onderwijswet ‘altijd eerst verbinding maken met leerlingen’ naar ‘ik moet vriendjes met ze worden’. Daarmee ontwikkel je geen gezag. En zonder gezag rest slechts macht. Dan is de verbinding weg. Zijn leerlingen voelden dat haarscherp aan: eerst aardig doen en als het daarmee niet lukt bozig maatregelen nemen. Dan ben de ze kwijt.

De serie liet ook zien dat leerlingen laten leren door buitenstaanders zoals Tim en Nicolaas als vanzelfsprekend wordt vertaald met ‘ik vertel en jullie luisteren’. Op een enkele les na ging het over leerstof presenteren en opdrachten maken. Leren vraagt meer regie dan alleen dat. Denken op gang brengen bij vijfentwintig onrustige pubers die allemaal op hun eigen manier aandacht vragen, vraagt om vakmanschap dat je niet zomaar uit je mouw schudt.

Het is mooi dat de VPRO het zo integer in elkaar zette en dat de school en leerlingen zich wilde laten zien. Of het leraarschap als beroep voor jonge mensen die voor een studiekeuze staan er ook interessanter door is geworden, weet ik niet. Het werd heel duidelijk dat je ‘leraar zijn’ niet even uit je mouw schudt en dat het heel hard werken is. Dat is ook winst. Misschien zijn we nu van die domme gedachte af ‘dat als je nergens goed in bent, je altijd nog leraar kan worden’. Niks daar van: het is een vak.

Lees verder / reageer

Het M woord

Ineens was het er weer. Het verboden ‘M’ woord. Paul Rosemuller meldde op radio 1 namens de VO-raad dat het goed zou zijn als er een driejarig heterogene onderbouw in het VO zou komen. Hij was nog niet uitgesproken of onderwijs columnist en beroeps cynicus Ton van Haperen toeterde het woord ’Middenschool’ er tussendoor. ‘Dat mislukte experiment uit de vorige eeuw’ of woorden van die strekking. Daar gaan we weer, dacht ik. Noem bij een onderwijsvernieuwing het woord middenschool en iedereen holt de kamer uit. Framen heet dat tegenwoordig. Maar eerlijk is eerlijk, het idee voor een driejarig heterogene onderbouw in het VO vertoont veel overeenkomsten met wat ooit ’Het middenschool experiment’ heette. 

Inmiddels is het meeste stof al weer neergedaald en lijkt dit plan dezelfde weg op te gaan als al die andere, bijna wekelijkse hete hangijzers over onderwijs: leesvaardigheid, artikel 23, het Haga vraagstuk, een nieuw curriculum: als je maar lang genoeg stil zit, waait het wel over. 

Van mij mogen ze het best de terugkeer van de Middenschool noemen. Graag zelfs. Het is niet een alleen maar mislukt experiment uit de vorige eeuw. Tot op vandaag zijn er scholen die heel effectief met een heterogene onderbouw werken. Dat is ook de opbrengst van het experiment toen. De landelijke invoer is er niet van gekomen, zoveel is juist, maar misschien is dat maar goed ook. In één van de evaluatie onderzoeken werd indertijd met zoveel woorden geschreven dat onderwijs aan breed heterogene groepen prima kon als, en dan komt het, de docent dat wilde en kon. Daar zat en zit de crux. Dingen moeten doen die je niet wilt of niet kunt – kiest u zelf de volgorde maar – worden hoog zelden een succes.

Eén van de makkes van de middenschool plannen toen was dat het in de eerste plaats verdedigd werd vanuit allerlei sociaal maatschappelijke opvattingen. Bij de start was geen sprake van een ook maar enigszins uitgewerkt onderwijskundig concept, laat staan de praktische invulling daarvan. Dat werk moesten de scholen allemaal zelf doen. Er was weliswaar ondersteuning vanuit allerlei bureaus, maar die wisten op dat moment weinig meer dan wat een goede, creatieve docent zelf kon bedenken. Bezint terwijl je begint was zo’n beetje de innovatie strategie, wat overigens helemaal geen slechte manier van werken bleek. Het gevolg van die start was wel dat binnen veel scholen meer politieke discussies over de plannen plaatsvonden, dan onderwijskundige zoektochten. 

Maar er was ook succes. Verschillende van de deelnemende scholen vonden met veel vallen en opstaan uiteindelijke voortreffelijke oplossingen voor de vele onderwijskundige vraagstukken op didactisch en pedagogisch gebied die ze moesten tackelen, wil er in een zo heterogene klas door iedereen effectief geleerd worden. Daarmee groeide er in die scholen ook een generatie docenten die voortdurend aan hun repertoire werkten om in die complexe situatie de goede werkwijze te vinden. Velen vonden voortreffelijke antwoorden en wilden niet meer terug naar de oude, schijnbaar homogene situatie. Die generatie is nu aan het pensioneren. Hun goede ervaringen uit het middenschool experiment van toen zijn nooit breed geoogst en al helemaal niet vertaald naar goede onderwijspraktijk voor iedereen. Het wordt onterecht nog steeds als een mislukt experiment gezien terwijl er ook heel veel winst is geboekt, zij het ‘slechts’ op schoolniveau.

Tegelijkertijd is er de afgelopen twintig jaar veel meer kennis, didactische variatie en kunde voor docenten beschikbaar gekomen. Er zijn inmiddels veel verschillende mogelijkheden voor het wiel, dat toen, dertig jaar geleden, met dagelijks hard werken in de klas moest worden uitgevonden. Veel van die kennis vindt nu slechts mondjesmaat zijn weg naar de praktijk. Samen ontwerpen, proberen, herbezinnen, bijslijpen en opnieuw proberen is de weg naar goed onderwijs dat tegemoet komt aan de behoeften van leerlingen èn maatschappij.

Mijn advies aan VO-raad en politiek is niet opnieuw de heilloze weg te gaan van de eindeloze voor en tegen discussies. Geen panel-avonden, forum discussies of grote conferenties. Geef scholen die er voor kiezen en docenten die het willen de ruimte en middelen tot experimenteren. Het vraagt talent, doorzettingsvermogen, creativiteit, optimisme èn veel durf om binnen een drukke baan aan de slag te gaan met het door ontwikkelen van je eigen kwaliteit en die van het werk. Beloon mensen die dat willen en kunnen en kijk goed naar wat daar gebeurt. Laat de goede voorbeelden de maat zijn, niet diegenen die op voorhand al roepen dat het niet kan. Daar energie in stoppen is verloren moeite. Stop ook geen geld in plannen voor grote systeem veranderingen. Dat geld verdwijnt onder vergadertafels. Facilliteer zichtbare ontwikkeling in de praktijk en beloon succes. Scholen kunnen ook klein beginnen. Eén breed heterogene klas, met een kleine, stevige, gemotiveerde groep docenten die samen aan de slag gaan en de opbrengsten daarvan delen in school. 

Voorkom één weg één waarheid oplossingen. We komen er niet met alleen gepersonaliseerd leren, wat differentiatie, individualisering of uitsluitend samenwerkend leren. Het antwoord zit in docenten die in breed heterogene groepen willen werken, al is het maar omdat ze dat een uitdaging vinden. Docenten die een breed pedagogisch en didactisch repertoire willen ontwikkelen dat bij hen en hun praktijk past. Val ze niet lastig met allerlei verantwoordingssystemen, maar stel als enige eis dat je altijd mag komen kijken, en doe dat ook! En verder geen papier en gedoe. Als je ontwikkeling wilt, komt systeem verandering niet eerst, maar pas helemaal aan het einde. Als het blijkt te werken.

En het M woord? Laten we de leugen dat het overal mislukt is zo snel mogelijk vergeten. Er waren op een aantal scholen voortreffelijke breed heterogene praktijken. Daar zou menig school nu nog wat van kunnen leren.

Over veertien ga ik op deze pagina wat dieper in op de gedachte ‘gepersonaliseerd leren. Dat idee haalde dezer dagen weer eens de pers. Hoogste tijd omdat eens echt onder de loep te leggen.

Lees verder / reageer

Beste Meneer Koch…

’Omdat ik echt het idee heb dat die mensen niet hun best deden. Dat is een verschijnsel dat gewoon bij die beroepsgroep hoort (…) De meerderheid was toch gewoon, ja, lui.’ Einde citaat.

Herman Koch over leraren in een interview in het Volkskrant Magazine van zaterdag 11 januari. En vervolgens spuugt hij er nog een paar snelle oordelen achteraan. Hoe serveer ik een hele beroepsgroep af op basis van mijn eigen, beperkte waarneming. Koch zet zichzelf daarmee tussen de roepers langs de lijn. Alsof we nog niet genoeg talkshow gasten hebben die leven van ’ik denk en ik vind’ zonder enige verdere fundering van hun standpunt. De eigen ervaring als het hoogste goed. Zoals heel Nederland verstand van voetbal heeft en alles mag roepen over de bondscoach, zo ben je blijkbaar onderwijsdeskundige als je op school gezeten hebt. Natuurlijk zou ik er niet boos over moeten worden, maar op de een of andere manier gebeurt dat wel. Blijkbaar vind ik nog steeds dat ik bij die groep hoor. Natuurlijk weet ik ook wel dat er veel niet goed gaat in het onderwijs en dat het heel vaak beter kan en moet. Ik zit nog met regelmaat bij allerlei lessen. Maar zo’n losse flodder meneer Koch! Dan maak ik me toch even breed en ga ik er vóór staan: van mijn maatjes moeten ze afblijven. Die laat ik niet allemaal over één kam scheren. Daar gaan we: Beste meneer Koch…

Heeft u ooit de moeite genomen om achter uw bureau vandaan te komen en verder te kijken dan uw schrijversneus lang is? Of heeft u de eigen, zeer persoonlijke indrukken zonder enig verder onderzoek voor vaststaand en algemeen geldend aangenomen? In uw verhaal ontbreekt elke relativering van de eigen waarneming of poging die in een wat breder perspectief te plaatsen. Er is niks mis met persoonlijke ervaringen. Die mogen benoemd. Maar zo, als een algemene waarheid verwoord, lijkt het sterk op wat ressentiment heet: de eigen slechte ervaringen tot leidraad maken. Wat meer terughoudenheid had u gesierd. U schaart zich met deze reactie onder de types die zich als ’universeel deskundigen’ beschouwen. Mensen die met een of andere activiteit bekendheid hebben verworven en zich daarmee het recht toe eigenen met het nodige aplomb hun blik  over van alles en nog wat te laten schijnen. Alsof die uitspraken louter en alleen door hun bekendheid extra waarde zouden krijgen. De talkshow als kennis fabriek. Uw nieuwe roman noemt u sterk autobiografisch. Autobiografisch in de zin van zoals u het zich herinnert, begrijp ik. Maar maken we niet allemaal uiteindelijk ons eigen verhaal, los van wat er werkelijk gebeurd is? Een verhaal waarmee we kunnen leven?

Het geheugen is een heel onbetrouwbaar, of misschien beter, subjectief orgaan. Wellicht is het een goede idee u eens in het werk van de twee cognitief psychologen Hofstadter en Sanders te verdiepen. Die leggen in hun boek ’Analogie, de kern van ons denken’ met heel heldere voorbeelden uit hoe we in ons hoofd, ongemerkt, voortdurend zoekt naar de bevestiging van eerder opgedane indrukken. We zijn niet zo nieuwsgierig als we denken. Hooguit naar het eigen gelijk. Bas Heijne omschreef dat laatst mooi in het NRC: ’beleving komt voor de feiten, het geloof in een waarheid die buiten onze perceptie staat, neemt af’.

In uw boeken speelt moraal met regelmaat een belangrijke rol. De moraal die ik van u als min of meer bekende Nederlander verwacht, is u te onthouden van dit type algemene, veroordelende uitspraken, zonder enige voorafgaande moeite u breder te informeren dan het eigen, subjectieve gelijk. Dan zal ik u ook niet scharen bij die groep van bekende Nederlanders die zich zonodig over de rug van anderen moeten profileren. Fouten maken mag, zolang je er geen gewoonte van maakt. 

Blijf dicht bij waar u goed in bent. Schrijf een mooi boek over uw schoolverleden. Dat kunt u vast. Veel leraren zullen het lezen en denken: gaat dit boek over mij?

Vriendelijk groetend

Simon Ettekoven 

Lees verder / reageer

Geef jezelf tijd!

Waar zal ik het nieuwe jaar eens mee beginnen? Als je over onderwijs schrijft zit je niet om thema’s verlegen. De vorige column ging over het lerarentekort en was nog niet gepubliceerd of de teruggelopen leesvaardigheid van onze pubers vulde de kranten. Een dag later was er het nieuwe curriculum. Maar liefst 30% minder verplichte lesstof! Eindelijk!, dacht ik; ruimte! Ik liep nog over dit kerstcadeautje na te denken toen mijn hoofd al weer werd opgeschud door een pagina met maar liefst vier essays over het beroemde of beruchte artikel 23; de vrijheid van ons onderwijs. Vind ik daar ook wat van? En weer een dag later pleit een politiek commentator voor een parlementaire enquête over al het onderwijs gedoe de afgelopen tien jaar. Het rolt maar over elkaar heen. Als je nog over het ene loopt na te denken, staat het volgende al weer voor de deur. Geen wonder dat we meer problemen hebben dan oplossingen. Je gedachten over een vraagstuk een beetje zorgvuldig ordenen zit er op deze manier niet in. Veel meer dan elkaar met algemeenheden om de oren slaan komt er niet van. Eén tegelijk dus!

De voorstellen voor dat nieuwe curriculum komen wat mij betreft als geroepen. Minder zou wel eens meer kunnen zijn. Tijd maken voor wat je echt belangrijk vindt. Dat lijkt me een goed plan. Maar de inkt was zogezegd nog niet droog, of iedereen wist al weer hoe we die vrij gekomen tijd zouden moeten vullen. Extra rekenen en taal, klimaat kennis, meer bewegen. Allemaal heel nuttig, maar mijn dringende suggestie is: doe eerst eens  helemaal niks! Gewoon, eerst 30% minder. Niks commissies of werkgroepen in en om scholen die moeten nadenken over zinvolle invullingen. Laat de ruimte eerst maar eens zijn werk doen. Geef leraren eindelijk de tijd om de dingen goed te doen. Er wordt, en terecht, steen en been geklaagd over teveel oppervlakkigheid van leren in school. Dat krijg je, als je het curriculum tjokvol stapelt. Veel verder dan onthouden, wat oefenen en een beetje begrijpen komt het met leren dan niet. Het ontbreekt veel leraren aan de tijd om met leerlingen rond belangrijke onderwerpen aan de ontwikkeling van diepere en betekenisvolle kennis te werken. Voor echte denkvragen is tijd nog ruimte. 

In de commentaren die rond zoemden, dook als vanzelfsprekend ook direct  het ’controle spook’ op. ’Als we dan maar wel genoeg zicht houden op wàt die leerkracht met die tijd gaat doen’ tetterde de radio. Als die leerkracht meer vrijheid krijgt, moeten we blijkbaar wel met z’n allen kunnen controleren wat hij daarmee doet. Ik zie het lijk al drijven. Nieuwe instrumenten bij de onderwijsinspectie om precies te kunnen monitoren of de tijd wel effectief besteed is, leerkrachten die meer energie kwijt zijn aan verantwoorden dan aan onderwijzen. Moeten kamerleden ook een spreadsheet bijhouden over wat ze precies doen? Of burgemeesters? En de directeur van de spoorwegen? Daar gaat toch ook regelmatig wat mis. Straks moeten leerkrachten weer systemen gaan invullen met wat hij precies met wie, hoevaak en waarom gedaan heeft. Met de alom aanwezige roep om transparantie als argument. Dat wordt flauwekul schrijverij, georganiseerd wantrouwen. Een goed opgeleide leerkracht weet hoe zij of hij de tijd met leerlingen nuttig besteedt en haalt verlicht adem als daar eindelijk ook de ruimte voor is. Ik denk dat leerkrachten blij worden als ze eindelijk met voldoende tijd en aandacht hun werk kunnen doen. Laat ze met maar eens even met rust, zou ik zeggen. Goede scholen hebben meer dan voldoende gedeelde verantwoordelijkheid om er met elkaar op te letten dat er geen onzinnige dingen gebeuren. En anders is er altijd nog een directeur als eind verantwoordelijke die je kunt aanspreken. Onderwijskundig leiderschap heet dat. 

Ik vind het wel een mooi begin van het nieuwe jaar: meer tijd voor de dingen die we goed willen doen. 

Lees verder / reageer