Het M woord

Ineens was het er weer. Het verboden ‘M’ woord. Paul Rosemuller meldde op radio 1 namens de VO-raad dat het goed zou zijn als er een driejarig heterogene onderbouw in het VO zou komen. Hij was nog niet uitgesproken of onderwijs columnist en beroeps cynicus Ton van Haperen toeterde het woord ’Middenschool’ er tussendoor. ‘Dat mislukte experiment uit de vorige eeuw’ of woorden van die strekking. Daar gaan we weer, dacht ik. Noem bij een onderwijsvernieuwing het woord middenschool en iedereen holt de kamer uit. Framen heet dat tegenwoordig. Maar eerlijk is eerlijk, het idee voor een driejarig heterogene onderbouw in het VO vertoont veel overeenkomsten met wat ooit ’Het middenschool experiment’ heette. 

Inmiddels is het meeste stof al weer neergedaald en lijkt dit plan dezelfde weg op te gaan als al die andere, bijna wekelijkse hete hangijzers over onderwijs: leesvaardigheid, artikel 23, het Haga vraagstuk, een nieuw curriculum: als je maar lang genoeg stil zit, waait het wel over. 

Van mij mogen ze het best de terugkeer van de Middenschool noemen. Graag zelfs. Het is niet een alleen maar mislukt experiment uit de vorige eeuw. Tot op vandaag zijn er scholen die heel effectief met een heterogene onderbouw werken. Dat is ook de opbrengst van het experiment toen. De landelijke invoer is er niet van gekomen, zoveel is juist, maar misschien is dat maar goed ook. In één van de evaluatie onderzoeken werd indertijd met zoveel woorden geschreven dat onderwijs aan breed heterogene groepen prima kon als, en dan komt het, de docent dat wilde en kon. Daar zat en zit de crux. Dingen moeten doen die je niet wilt of niet kunt – kiest u zelf de volgorde maar – worden hoog zelden een succes.

Eén van de makkes van de middenschool plannen toen was dat het in de eerste plaats verdedigd werd vanuit allerlei sociaal maatschappelijke opvattingen. Bij de start was geen sprake van een ook maar enigszins uitgewerkt onderwijskundig concept, laat staan de praktische invulling daarvan. Dat werk moesten de scholen allemaal zelf doen. Er was weliswaar ondersteuning vanuit allerlei bureaus, maar die wisten op dat moment weinig meer dan wat een goede, creatieve docent zelf kon bedenken. Bezint terwijl je begint was zo’n beetje de innovatie strategie, wat overigens helemaal geen slechte manier van werken bleek. Het gevolg van die start was wel dat binnen veel scholen meer politieke discussies over de plannen plaatsvonden, dan onderwijskundige zoektochten. 

Maar er was ook succes. Verschillende van de deelnemende scholen vonden met veel vallen en opstaan uiteindelijke voortreffelijke oplossingen voor de vele onderwijskundige vraagstukken op didactisch en pedagogisch gebied die ze moesten tackelen, wil er in een zo heterogene klas door iedereen effectief geleerd worden. Daarmee groeide er in die scholen ook een generatie docenten die voortdurend aan hun repertoire werkten om in die complexe situatie de goede werkwijze te vinden. Velen vonden voortreffelijke antwoorden en wilden niet meer terug naar de oude, schijnbaar homogene situatie. Die generatie is nu aan het pensioneren. Hun goede ervaringen uit het middenschool experiment van toen zijn nooit breed geoogst en al helemaal niet vertaald naar goede onderwijspraktijk voor iedereen. Het wordt onterecht nog steeds als een mislukt experiment gezien terwijl er ook heel veel winst is geboekt, zij het ‘slechts’ op schoolniveau.

Tegelijkertijd is er de afgelopen twintig jaar veel meer kennis, didactische variatie en kunde voor docenten beschikbaar gekomen. Er zijn inmiddels veel verschillende mogelijkheden voor het wiel, dat toen, dertig jaar geleden, met dagelijks hard werken in de klas moest worden uitgevonden. Veel van die kennis vindt nu slechts mondjesmaat zijn weg naar de praktijk. Samen ontwerpen, proberen, herbezinnen, bijslijpen en opnieuw proberen is de weg naar goed onderwijs dat tegemoet komt aan de behoeften van leerlingen èn maatschappij.

Mijn advies aan VO-raad en politiek is niet opnieuw de heilloze weg te gaan van de eindeloze voor en tegen discussies. Geen panel-avonden, forum discussies of grote conferenties. Geef scholen die er voor kiezen en docenten die het willen de ruimte en middelen tot experimenteren. Het vraagt talent, doorzettingsvermogen, creativiteit, optimisme èn veel durf om binnen een drukke baan aan de slag te gaan met het door ontwikkelen van je eigen kwaliteit en die van het werk. Beloon mensen die dat willen en kunnen en kijk goed naar wat daar gebeurt. Laat de goede voorbeelden de maat zijn, niet diegenen die op voorhand al roepen dat het niet kan. Daar energie in stoppen is verloren moeite. Stop ook geen geld in plannen voor grote systeem veranderingen. Dat geld verdwijnt onder vergadertafels. Facilliteer zichtbare ontwikkeling in de praktijk en beloon succes. Scholen kunnen ook klein beginnen. Eén breed heterogene klas, met een kleine, stevige, gemotiveerde groep docenten die samen aan de slag gaan en de opbrengsten daarvan delen in school. 

Voorkom één weg één waarheid oplossingen. We komen er niet met alleen gepersonaliseerd leren, wat differentiatie, individualisering of uitsluitend samenwerkend leren. Het antwoord zit in docenten die in breed heterogene groepen willen werken, al is het maar omdat ze dat een uitdaging vinden. Docenten die een breed pedagogisch en didactisch repertoire willen ontwikkelen dat bij hen en hun praktijk past. Val ze niet lastig met allerlei verantwoordingssystemen, maar stel als enige eis dat je altijd mag komen kijken, en doe dat ook! En verder geen papier en gedoe. Als je ontwikkeling wilt, komt systeem verandering niet eerst, maar pas helemaal aan het einde. Als het blijkt te werken.

En het M woord? Laten we de leugen dat het overal mislukt is zo snel mogelijk vergeten. Er waren op een aantal scholen voortreffelijke breed heterogene praktijken. Daar zou menig school nu nog wat van kunnen leren.

Over veertien ga ik op deze pagina wat dieper in op de gedachte ‘gepersonaliseerd leren. Dat idee haalde dezer dagen weer eens de pers. Hoogste tijd omdat eens echt onder de loep te leggen.

Lees verder / reageer

Geef jezelf tijd!

Waar zal ik het nieuwe jaar eens mee beginnen? Als je over onderwijs schrijft zit je niet om thema’s verlegen. De vorige column ging over het lerarentekort en was nog niet gepubliceerd of de teruggelopen leesvaardigheid van onze pubers vulde de kranten. Een dag later was er het nieuwe curriculum. Maar liefst 30% minder verplichte lesstof! Eindelijk!, dacht ik; ruimte! Ik liep nog over dit kerstcadeautje na te denken toen mijn hoofd al weer werd opgeschud door een pagina met maar liefst vier essays over het beroemde of beruchte artikel 23; de vrijheid van ons onderwijs. Vind ik daar ook wat van? En weer een dag later pleit een politiek commentator voor een parlementaire enquête over al het onderwijs gedoe de afgelopen tien jaar. Het rolt maar over elkaar heen. Als je nog over het ene loopt na te denken, staat het volgende al weer voor de deur. Geen wonder dat we meer problemen hebben dan oplossingen. Je gedachten over een vraagstuk een beetje zorgvuldig ordenen zit er op deze manier niet in. Veel meer dan elkaar met algemeenheden om de oren slaan komt er niet van. Eén tegelijk dus!

De voorstellen voor dat nieuwe curriculum komen wat mij betreft als geroepen. Minder zou wel eens meer kunnen zijn. Tijd maken voor wat je echt belangrijk vindt. Dat lijkt me een goed plan. Maar de inkt was zogezegd nog niet droog, of iedereen wist al weer hoe we die vrij gekomen tijd zouden moeten vullen. Extra rekenen en taal, klimaat kennis, meer bewegen. Allemaal heel nuttig, maar mijn dringende suggestie is: doe eerst eens  helemaal niks! Gewoon, eerst 30% minder. Niks commissies of werkgroepen in en om scholen die moeten nadenken over zinvolle invullingen. Laat de ruimte eerst maar eens zijn werk doen. Geef leraren eindelijk de tijd om de dingen goed te doen. Er wordt, en terecht, steen en been geklaagd over teveel oppervlakkigheid van leren in school. Dat krijg je, als je het curriculum tjokvol stapelt. Veel verder dan onthouden, wat oefenen en een beetje begrijpen komt het met leren dan niet. Het ontbreekt veel leraren aan de tijd om met leerlingen rond belangrijke onderwerpen aan de ontwikkeling van diepere en betekenisvolle kennis te werken. Voor echte denkvragen is tijd nog ruimte. 

In de commentaren die rond zoemden, dook als vanzelfsprekend ook direct  het ’controle spook’ op. ’Als we dan maar wel genoeg zicht houden op wàt die leerkracht met die tijd gaat doen’ tetterde de radio. Als die leerkracht meer vrijheid krijgt, moeten we blijkbaar wel met z’n allen kunnen controleren wat hij daarmee doet. Ik zie het lijk al drijven. Nieuwe instrumenten bij de onderwijsinspectie om precies te kunnen monitoren of de tijd wel effectief besteed is, leerkrachten die meer energie kwijt zijn aan verantwoorden dan aan onderwijzen. Moeten kamerleden ook een spreadsheet bijhouden over wat ze precies doen? Of burgemeesters? En de directeur van de spoorwegen? Daar gaat toch ook regelmatig wat mis. Straks moeten leerkrachten weer systemen gaan invullen met wat hij precies met wie, hoevaak en waarom gedaan heeft. Met de alom aanwezige roep om transparantie als argument. Dat wordt flauwekul schrijverij, georganiseerd wantrouwen. Een goed opgeleide leerkracht weet hoe zij of hij de tijd met leerlingen nuttig besteedt en haalt verlicht adem als daar eindelijk ook de ruimte voor is. Ik denk dat leerkrachten blij worden als ze eindelijk met voldoende tijd en aandacht hun werk kunnen doen. Laat ze met maar eens even met rust, zou ik zeggen. Goede scholen hebben meer dan voldoende gedeelde verantwoordelijkheid om er met elkaar op te letten dat er geen onzinnige dingen gebeuren. En anders is er altijd nog een directeur als eind verantwoordelijke die je kunt aanspreken. Onderwijskundig leiderschap heet dat. 

Ik vind het wel een mooi begin van het nieuwe jaar: meer tijd voor de dingen die we goed willen doen. 

Lees verder / reageer

Onderwijs en wetenschappen?

Onlangs was ik te gast op een boeiende conferentie in België. In Afflichem om precies te zijn. Het SOK, School Overstijgend Kwaliteitsnetwerk, organiseert een paar keer per jaar een congres met allerlei lezingen rond een thema. Dit keer ging het om ’Kwaliteitszorg van het leren’.

De SOK heeft in België de rol die in Nederland de inmiddels zo goed als ontmantelde Pedagogische Centra hadden. Hier zijn APS en KPC inmiddels verdwenen. Het CPS worstelt om te blijven drijven. De verzuiling en sturing van bovenaf op vorm en inhoud van het onderwijs door middel van grote instituten lijkt voorbij. Voor kwaliteit van onderwijs moeten scholen tegenwoordig te rade bij allerlei bedrijven en bedrijfjes en een leger van zzp’ers. Rijp en groen, kwaliteit en onzin verkopers kris kras door elkaar. Inmiddels hebben veel scholen hun weg daarin wel gevonden. Ze weten wel wat ze nodig hebben en waar ze dat kunnen halen. Maar zo’n groot congres is ook niet verkeerd. In de opzet van de SOK geeft het de deelnemende scholen een aardig beeld van wat er nu zoal speelt in de onderwijskundige wereld, de stand van de wetenschap zogezegd. En het zet aan tot denken. 

Over wat wel en niet klopt in het onderwijs hebben twee namen op het moment het hoogste woord:  Pedro de Bruyckere en Paul Kirschner. De heren timmeren aan de weg met grote verhalen en een stapeltje boeken. Ik las al het nodige van ze en de Bruyckere zag ik ook al eens een presentatie doen. Hij is een onorthodox podium-dier met een helder, aansprekend, maar ook genuanceerd verhaal, dat hij met respect voor zijn gehoor vertelt. Daar kan Kirschner nog wel wat van leren. Een Nederlandse dominee tegenover de Vlaamsche bierdrinker. Kirschner duwt zijn waarheden er in als ware het gods woord. Je krijgt direct zin het tegenovergestelde te beweren. 

Tegelijkertijd is de waarheid is een dagvers artikel geworden. We worden overstroomd met publikaties, onderszoeken en opvattingen. Kritisch blijven kijken en luisteren is het devies.

Het ging in Afflichem veel over formatief toetsen, de laatste hype in het onderwijs. Een jaar of vijf geleden kwam Gert Biesta overal langs met zijn pedagogische dimensie van het onderwijs. Daarna was het ineens differentiatie wat de klok sloeg en nu zoemt formatief beoordelen rond. Prima thema’s, daar niet van, maar het komt wel allemaal voorbij als eb en vloed. What else is new? Elke school organiseert er vervolgens braaf een studiedag over en klaar zijn we weer. Een docent die bij de tijd blijft en nadenkt over zijn werk, deed er allang het haare mee. In de kern zijn het de onderwerpen die altijd al aan de orde waren. Er is niks mis met nu en dan even rechtop gezet te worden door een scherpe denker, maar we moeten niet net doen alsof het onderwijs nu ineens opnieuw uitgevonden moet worden. 

Dat is ook de goede blik om naar het mythes verhaal van De Bryuckere en Kirschner te kijken. In heel veel stromingen, overtuigingen of nieuw lichterij zit wel wat verstandigs, zonder er direct een nieuw geloof van te maken. De ’grow mindset’ van Dweck? Er mag dan geen onomstotelijk wetenschappelijk bewijs voor zijn, maar elke goede docent weet dat goed geformuleerde aanmoedigende feedback meer effect heeft dan sacherijnig een aanwijzingen geven. In de hersenen zijn geen bewijzen gevonden voor het ’meervoudige intelligientie’ verhaal van Gardner, maar elke goede docent weet dat creatief variëren met je aanpak in de klas, heel effectief kan zijn. Al is het maar voor het plezier in leren. De wetenschappers doen in hun presentaties net alsof het onderwijs blind achter elke nieuwe stroming aanloopt. Dat is niet zo heren en dat is maar goed ook.

Lees verder / reageer

Zichtbaar

Als de leiding zich niet laat zien, is die onzichtbaar. Dat klinkt zo klaar als een klontje, maar dat is het blijkbaar niet voor iedereen. In talloze organisaties moeten medewerkers zich een weg langs  secretaresses en door overvolle agenda’s vechten om een glimp van hun baas te mogen opvangen. Zichtbaar en aanspreekbaar zijn, dichtbij, is voor een leidinggevende één van de eerste voorwaarden om haar taak goed te kunnen doen. Hoeveel half overwerkte leidinggevenden komen niet verder dan in het voorbij gaan ‘stuur maar een mailtje’ roepen.

Dat geldt niet alleen voor teammanagers of lokatie directeuren. Daar zijn weliswaar ook hele volksstammen van die het overgrote deel van hun tijd achter een laptop, in vergadering of op een andere manier onbereikbaar doorbrengen, maar het geldt zeker ook voor algemeen directeuren, bovenschoolse leidinggevenden en bestuurders. Als je het moet hebben van horen zeggen, want dat is het praten binnen eigen kring, of uit rapportages, inspectierapporten en jaarverslagen om te weten of het goed gaat met je organisatie, ben je ver van de bron geraakt. Te ver. Nog dagelijks kom ik bestuurders tegen die zich zorgvuldig verschanst hebben in hun eigen kamer en verwachten dat iedereen die hen wat te melden heeft dat wel komt doen. ‘En ze kunnen me toch altijd een mailtje sturen…’. 

 

Ik ben benieuwd wat er zou gebeuren binnen organisaties als ze zouden besluiten elkaar intern een week lang geen mail te sturen. Zou het weer gezellig worden bij het kopieerapparaat en de koffiemachine? Als je naar je medewerker toe moet lopen om haar iets te vragen of zeggen, of sterker nog, even de fiets zou moeten pakken om op die andere lokatie iets te gaan vragen.

Ik ken organisaties waar de medewerkers de interim directeur, al weer een maand in dienst, nog nooit gezien hebben en hun eindverantwoordelijk leidinggevende voor het laatst op de kerstreceptie. In 2017 wel te verstaan. Door de gang lopen en een praatje maken, goed om je heen kijken, niet aarzelen om vragen te stellen en zo nodig een langer gesprek aan gaan, is cruciaal voor de gezondheid van de organisatie. Dat vraagt wel wat van de leidinggevende. Bijvoorbeeld dat zij elke dag ongeveer twee uur vrij houdt in haar agenda om dat te doen. En die twee uur ook bewaakt, alsof het de belangrijkste bijeenkomst van het jaar betreft, iedere dag weer. 

 

Medewerkers die zich niet gezien voelen, verliezen de interesse in de organisatie. Dat kun je niet compenseren met een jaarlijks uitje een vriendelijk woord bij de nieuwjaarstoespraak of taart na het jaarlijkse inspectierapport. Werkelijke interesse in mensen en hun werk, moet je laten zien. Als je voor hen niet zichtbaar, dichtbij bent, voelen medewerkers zich niet gezien. Natuurlijk zijn alle externe verantwoordingen, cijfers en rapportages ook van belang. Maar als de medewerkers het gevoel hebben dat ze niet gezien worden, verliezen zij hun hart voor de zaak en dat krijg je met geen enkele maatregel van bovenaf weer op orde. Medewerkers moeten wel elke dag waarmaken wat de organisatie belooft. Daarvoor is persoonlijk leiderschap nodig. Medewerkers laten voelen dat jij oog hebt voor wat ze doen, dat je daar inhoudelijk ook kennis van hebt, dat je er werkelijk in geïnteresseerd bent en dat je wilt meedenken over hoe het beter kan. Rondlopen, kijken en veel met de mensen praten, luisteren, goede vragen stellen en als dat nodig is de confrontatie niet uit de weg gaan. Dat is een belangrijk onderdeel van goed leiderschap.

Als u nog op zoek bent naar een goed voornemen voor 2019, is dit er misschien eentje…

Lees verder / reageer

Besturen?

Als je aan het stuur zit, maak je zelf uit waar je heen gaat. Links af, rechts af, recht door, je hebt het allemaal in eigen hand. Hoe een gekrakeel het ook in de auto is, uiteindelijk bepaal jij het. Zou het door die metafoor komen dat er zoveel bestuurlijke arrogantie rondwaart? 

Neem nu deze. Echt gebeurd.

Het bestuur van een grote zorgorganisatie in het midden van het land wil een nieuwe directeur voor één van de werkmaatschappijen. Bestuursvoorzitter en kompaan doen een informerend rondje langs betrokken medezeggenschap groeperingen zoals cliëntenraden en OR’en. Ze praten wat, maar zeggen ook vooral te willen luisteren. Kort daarna plopt er een mailtje binnen. 

In een paar streken schetst het bestuur wat het in zijn wijsheid heeft besloten. Dat blijkt zo ongeveer het tegenovergestelde te zijn van wat cliëntenraad en OR van de werkmaatschappij geadviseerd hebben. Er staat geen letter argumentatie bij en nergens wordt een verband gelegd met de gesprekken.

Wat moet je daar nu mee?

De cliëntenraad is het orgaan waarin de bewoners vertegenwoordigd zijn. De mensen die hun hele financiële hebben en houden in handen van de zorginstelling hebben gelegd en in ruil daarvoor hun leven slijten op de 25 of 30 vierkante meter die hen nog rest en zich dagelijks mogen verheugen op een maaltijd van een kwaliteit waarvoor een matig restaurant zich nog zou schamen. In de OR zitten de medewerkers die zich nog verantwoordelijkheid voelen voor hun werk, mensen die zich drie slagen in de rondte werken en waar je heel zuinig op zou moeten zijn in deze tijd van enorm personeels tekort in de zorg. Luisteren? Oh alles gaat wellevend en schijnbaar geïnteresseerd, maar er zichtbaar iets mee doen? Ho maar…

In het reglement van inspraak, governance heet dat tegenwoordig, verstoppen de harde spelregels zich achter vriendelijk zorg-jargon. Als je het goed leest hebben bewoners en hun familie geen bal meer te zeggen over wat er met hun euro’s gebeurt. De zorgorganisatie spreekt graag van cliënten, een nette formulering voor klant. Maar  cliënt zijn veronderstelt dat je een keuze hebt en dat is precies wat al die bewoners niet hebben. Je mag blij zijn als je binnen mag. Wettelijk is het allemaal waterdicht geregeld, maar intussen zitten we met een paar grootgrutters in de zorg die vaker op bezoek gaan bij hun huisbankier dan bij de instellingen waar ze verantwoording voor dragen.

Realiseert zo’n bestuur zich nog wel dat het dienstverlening is waarvoor zij werden aangenomen. Dat het uiteindelijk de bewoners zijn die hun vorstelijke maandsalaris betalen. En dat allemaal in een organisatie, zorgvuldig zo vormgegeven, dat het bestuur niet gehinderd door de dagelijkse ervaringen van bewoners en medewerkers, beslissen kan wat hen om welke reden dan ook goeddunkt. 

Bestuurlijke arrogantie ten top. Wat moeten we  ermee… In scholen is een zelfde trend waarneembaar naar steeds grotere organisaties met twee- of drie-mans besturen en directeuren op lokatie niveau die de cijfers bewaken. Hoewel… niet overal. Laatst trof ik een een bestuur van een heel grote school dat zich zelf verplicht tenminste een dagdeel per week voor de klas te staan. En als hij of zij geen bevoegdheid had, dan als assistent met een docent mee te werken. Dan hoeft een bestuur geen sessies te organiseren om te weten wat er leeft. Dan voelen ze dat aan den lijve en kunnen als bestuurder daar snel en adequaat op reageren.

Als die zorginstelling daar eens mee begon. Alle bestuurders, directieleden en managers tenminste een dagdeel per week aan het echte dagelijkse werk. Misschien dat er dan wat verandert.

Lees verder / reageer