Met Machiavelli naar school (afl. 1)

machiavelliMoed, inzicht en krijgskunst

Wat maakt een goede leidinggevende? Er zijn grote verschillen tussen de ene teamleider of directeur en de andere. Bewierookt of verguisd worden liggen dicht bij elkaar. Je kunt allerlei vormen van management studeren, maar word je daarmee ook een leidinggevende? Wat moet je in je mars hebben om op die plek terecht te komen en er te blijven? Wat maakt het verschil?

Machiavelli is daar duidelijk over. Als je zomaar leidinggevende wordt, als je toevallig op die plek terecht komt, kost het misschien weinig moeite het te worden, maar des te meer moeite het te blijven. Leidinggevende word je, omdat je wat kan. Als voorbeeld beschrijft hij de weg omhoog van een gewoon soldaat tot aanvoerder van de krijgsmacht op het slagveld in het Italië van de zestiende eeuw. Hij vertelt ons het verhaal van de strijder die, door zijn bijzondere prestaties op het slagveld, stap voor stap in rang klimt om uiteindelijk de top te bereiken; alleenheerser over de staat. Het is het dagelijks laten zien van moed, inzicht en krijgskunst dat deze strijder uiteindelijk zover brengt.

Het is een mooie weg omhoog. Daar komt geen procedure of assessment bij kijken. Bevordering op basis van bewezen kwaliteiten. Op verschillende plekken gaat het nog steeds zo. In veel grote bedrijven is de CEO ooit ergens onder aan de ladder begonnen en in familiebedrijven is de oudste zoon misschien dan wel de voorbestemde nieuwe baas, maar niet voordat hij alle rangen doorlopen heeft. Het is de langzame weg omhoog. (meer…)

Lees verder / reageer

Miriam

‘Er is hier ergens een pad, we moeten in elk geval die kant op.’ Miriam wees schuin vooruit naar een schijnbaar ondoordringbaar woud van varens met her en der bomen er tussen. Er was geen schim van een pad te zien. Misschien daar achter die oude beuk, daar leek de begroeiing iets terug te wijken, was misschien iets lager. Miriam lachte naar hem.

‘Ik ben hier twee jaar niet geweest, maar we gaan goed. Ik weet het zeker!’

Lukas had geen idee, en juist daar baalde hij van. Normaal gesproken had hij een kaart bij zich en oriënteerde hij zich tevoren heel goed van als hij in onbekend terrein ging lopen. Zeker als het zo ver was. Eigenlijk was het niets voor hem om toe te geven aan de impulsieve uitnodiging van Miriam om een eind te gaan lopen in de Hoge Venen toen het in de loop van de ochtend leek op te klaren. Maar de hele dag binnen zitten was toch ook niks.

Ze waren met redelijk weer vertrokken, de zon kwam er zelfs zo nu en dan even door maar als hij nu tussen de boom toppen door omhoog keek zag hij loodgrijze wolken. Het leek slechts een kwestie van tijd of het zou gaan regenen.

‘Daarheen dan maar,’ zei hij zijn ergernis nauwelijks onderdrukkend en hij wees vagelijk in de richting die Miriam aangeduid had.

Stap voor stap worstelden zij zich door de varens. Je moest goed kijken waar je je voeten neerzette. Het had de voorgaande dagen bijna onophoudelijk hard geregend. Er waren nauwelijks zichtbare geulen die vol water stonden, poelen bijna en dikke takken versperde tot op knie hoogte de weg. Ze vorderden erg langzaam. Lukas had geen idee meer va de tijd. In een misplaatste demonstratie van losheid had hij zijn horloge op het nachtkastje laten liggen. Vandaag zou de tijd er niet toe doen. Zijn mobiele telefoon lag in de auto. Hij kon Miriam vragen hoe laat het was maar dat verdomde hij. Met een verbeten trek op zijn gezicht ploeterde hij achter haar aan. Ze was wel sterk verdomme. Ze liepen per slot al uren en aan niks was te merken dat ze moe werd. Ze stampte zonder een moment te verslappen door met alleen een keer een korte pauze om een broodje te eten. Zijn schoenen en de onderkant van zijn broek waren zeiknat. Het zou niet lang duren of het zou zijn sokken bereikt hebben. Het begon te regenen. Eerst langzaam, met harde tikken kwamen de grote druppels op de varen bladeren neer. Maar al snel veranderde de druppels in loodrechte stralen, de regen ruiste naar beneden. Lukas keek omhoog, de lucht zag egaal grijs, er was geen teken te ontdekken wat erop wees dat het binnen afzienbare tijd zou ophouden.

Miriam was doorgelopen. Hij moest haar toch maar niet uit het oog verliezen. Hoe weinig vertrouwen hij ook had in haar richtingsgevoel, zij leek tenminste nog enigszins overtuigd welke kant op te gaan. Hij verhoogde zijn tempo en zag kans aardig op haar in te lopen hoewel hij af en toe even stil moest staan om uit te hijgen. De hindernissen in de vorm van ondiepe, volgelopen greppels en omgevallen berkenboompjes werden steeds talrijker. Kenden ze in België geen fatsoenlijk bos onderhoud of was de Hogen Venen ten prooi gevallen aan de visie dat je de natuur zogenaamd zijn gang moest laten gaan. Een middagje wandelen? Het leek goddomme wel een survival tocht, en aan alles wat daar ook maar enigszins op leek had Lukas een grondige hekel. Modieuze onzin voor onvolwassen dertigers met te weinig uitdaging in hun werk en uitjes voor verwende managers, dat waren het. Er was toch niks tegen gewoon wandelen over een pad. Als je hier nu een been breekt vinden ze over een jaar je botten in je Gore-Tex jack dacht hij somber.

Hij tilde zijn rechtervoet hoog op om over een berkenstammetje heen te stappen dat het zogenaamde pad versperde maar gleed tegelijkertijd met zijn linker voet uit naar achteren. Even leek hij zijn evenwicht te hervinden door met zijn rechter schoen bovenop de stam te landen maar die glipte weg door op het mos en hij viel schuin voorover, languit tussen de varens. Zijn wang schampte langs een tak. Hij vloekte hartgrondig. Droog blijven kon hij nu wel vergeten. Hij probeerde overeind te komen door zijn rechter elleboog in het veen te planten en zijn been onder zich te trekken. Met een zompig geluid zakte zijn elleboog weg in de prut. Hij vloekte opnieuw hardop. Hij had er een grondige hekel aan een hulpeloze indruk te maken.

‘Lig je lekker?’ Miriams gezicht verscheen lachend boven hem. Ze torende zo hoog boven hem uit als was het om zijn hulpeloosheid nog te benadrukken. Ze stak haar hand uit terwijl ze zich schrap zette. Druipnat haar slierde om haar hoofd.

Hij deed alsof hij haar hand niet zag, ging op handen en knieën zitten en kwam overeind. Zijn jack en broek zaten onder de troep. Dat het peperdure outdoor kleren waren betekende voor Lukas nog niet dat ze vuil mochten worden. Viezigheid op zijn handen of kleren kon hem mateloos irriteren.

‘Als jij de weg geweten had hoefde dit nu niet allemaal naar de stomerij’, beet hij haar toe,

‘Ik weet de weg.’

‘Je denkt dat je de weg weet. Er is een verschil tussen weten en denken dat je het weet. Iedereen weet bijvoorbeeld, en nou heb ik het dus over echt weten, dat vrouwen geen richtingsgevoel hebben. God mag weten waarom jij besloten hebt dat je vanmiddag het tegendeel wilt bewijzen.’

Hij zag de waarschuwende frons tussen haar ogen maar was te geïrriteerd om er rekening mee te houden.

‘Vrouwen houden kaarten ondersteboven,’ ging hij verder, ‘gaan links als hun gevoel dat zegt ook als het bord naar rechts wijst, draai ze drie keer om hun as in een stad en ze kunnen zelfs een kathedraal die overal bovenuitsteekt niet meer vinden. Het is eigenlijk een godswonder dat ze geen uren naar hun eigen huis hoeven te zoeken. Maar dat zal wel moederinstinct zijn. En jij beweert dat je in dit oerwoud de weg weet. Laat me niet lachen.’

Hij haalde diep adem en probeerde met zijn hand wat van de viezigheid van zijn kleren af te slaan.

‘Nou mevrouw, zeg het maar, welke kant gaan we op?’

Miriam keek naar de grond.

‘Ben je klaar?’

‘Voor nu wel ja.’

‘Nou… ga dan maar voorop.’ Ze zei het toonloos. Niet boos, constaterend.

‘Hoe bedoel je?’

‘Als het mijn richtingsgevoel niks wordt kan het met jou voorop alleen maar beter gaan.’

Lukas keek om zich heen. Bomen met daar tussen hoge varens, welke kant je ook op keek. De regen viel gestaag. Met wat goede wil zou je kunnen denken dat daar al eens iemand gelopen had, dacht Lukas. Hij koos met opzet een richting iets afwijkend van waar Miriam gelopen had.

‘Deze kant op,’ zei hij met zoveel mogelijk overtuiging in zijn stem. Eens moesten ze toch een echt pad kruisen, welke kant je ook opging. Dit was België, niet de binnenlanden van Borneo per slot. Hij begon met hernieuwde moed zijn weg te zoeken, varens aan de kant duwend en over half verteerde stammen heen stappend. Niet achterom kijken prentte hij zich zelf in, laat haar maar een poosje volgen, dat is goed voor haar. Hij worstelde stug door in een stevig tempo, vast besloten zich niet te laten kennen. Er veranderde weinig aan de omgeving. Soms leek er even verderop een pad te zijn maar dan was het toch weer een greppel. Er veranderde eigenlijk niks, zelfs de indruk van een pad was nu verdwenen. Maar Lukas zette koppig door. Als ik nu stop heeft ze vast commentaar, dacht hij. Hij keek terloops over zijn schouder maar zag Miriam niet dicht achter hem. Nog even, dacht hij, en dan stop ik om op haar te wachten. Hij moest het niet overdrijven. Echt ruzie was nu ook weer niet nodig.

Bij een hoge boom gekomen stopte hij en draaide zich met moeite om.

Geen Miriam.

Even dacht hij haar paarse jack in de verte tussen de bomen links van hem te zien verdwijnen maar het was maar een glimp. Hij wist niet zeker of hij het echt gezien had. Nu was het stil en leeg. Varens en bomen. Een moment schoot de gedachte dat ze gestruikeld was en met een verstuikte enkel tussen de varens lag terwijl hij zonder omkijken door liep door zijn hoofd maar natuurlijk was dat niet zo; dan zou ze geroepen hebben. Langzaam drong de werkelijkheid tot hem door. Ze was haar eigen weg gegaan. Zonder iets te zeggen. Ze liet hem barsten godverdomme.

‘Miriam!,’ riep hij, harder dan normaal maar niet echt hard. Hij kwam nauwelijks boven het geruis van de regen uit.

‘Miriam!,’ riep hij nog eens, nu op volle kracht, en tuurde ingespannen naar de plek waar hij dacht dat hij haar had zien verdwijnen. Maar hoe hij ook keek, geen Miriam die terug kwam lopen. Ook geen Miriam die lachend tevoorschijn sprong. Kiekeboe… Lukas keek om zich heen. In alle richtingen zag het er eigenlijk hetzelfde uit. Hij keek werktuiglijk naar zijn pols en realiseerde zich tegelijkertijd dat hij geen horloge om had. Het begon te schemeren.

Langzaam bekroop hem het gevoel dat hij een serieus probleem had.

Lees verder / reageer

Colette

Hij zag hoe ze voorover boog en haar fiets met een kettingslot aan een verkeerspaal vastmaakte. Het was hem niet eerder opgevallen dat haar kin zo ingevallen was. En een mouwloos T-shirt, kon dat wel? Het vlees van haar bovenarmen zwabberde met elke beweging mee.

‘Ik moet het eigenlijk uitmaken’ dacht hij.

Ze zwaaide dat ze hem gezien had en liep tussen de tafeltjes door op hem af. De laatste stappen deed ze met drie parmantige sprongetjes, bij de laatste plantte ze haar hakken tegen elkaar en sloeg haar armen om zijn hals zoals alleen jonge meisjes horen te doen.

‘Ik weet het’, zei ze, ‘ik ben eruit, ik ga met je trouwen’.

Nee’, dacht hij, ‘ niet nu, alsjeblieft niet nu’.

Hij had zich verheugd op een zorgeloze vrijpartij na een paar inspirerende glazen wijn. Die kans leek nu al verkeken.

Hij maakte voorzichtig haar armen los en zette haar tas op de terrasstoel naast hem.

‘Wat wil je drinken?’ vroeg hij, en hij glimlachte breed in de hoop haar haar gedachten tenminste even  af te leiden. Dat kon zo maar bij Colette.

‘Nee jongetje. Zo gemakkelijk kom je dit keer niet van me af. Geloof me, het is het beste voor je. Ik zeg het niet eens voor mijzelf. Zo wordt het niks met je. Eigenlijk ben je een rustige lieve man. Wat jij mist is iemand zoals ik. Doe maar een rosé’.

Ze glimlachte stralend, triomfantelijk leek het over haar kordate standpunt.

Gerard ademde diep in en liet de lucht via zijn neus ontsnappen in een poging het niet op een zucht te laten lijken.

‘Mag ik even naar toilet voor dat ik antwoord?’

Hij probeerde het luchtig te laten klinken om ruimte te scheppen voor elk antwoord dat hij zou kunnen bedenken.

‘Ja, stel maar uit, zo ken ik je wel’. Een Colette in deze stemming was vasthoudend met een oneindige energie en dito vermoeiend wist hij.

Het toilet was tweemaal een trapje af achter in het restaurant. Hij betrapte zich erop dat hij naar een achteruitgang zocht. Zomaar verdwijnen leek even een aantrekkelijke optie. In de spiegel boven de wasbak bestudeerde hij zijn gezicht en krabde even aan een plekje onder zijn oog. Raar plekje, het zat er zo maar ineens een paar weken geleden. Toch eens mee naar de dokter gaan. Hij waste gedachteloos zijn handen om de tijd te doden en zag dat hij nodig zijn neusharen moest knippen. Hoelang kende hij Colette nu? Drie maanden? Vier? Hij had haar aangesproken op een terras waar ze een boek zat te lezen. Er waren bijna geen stoelen vrij.

‘Mag ik naast u zitten als ik beloof niets te zeggen en net als u alleen maar lees?

Later had ze hem met haar een stralende glimlach gedag gezegd. De volgende dag zat ze er weer en sloeg haar boek dicht toen hij op de lege stoel naast haar wees. Ze gingen samen eten en naar bed, zij het niet direct. Dat strookte niet met een Colette’s principes, minimaal veertien dagen tussen de eerste kennismaking en de eerste keer vrijen.

‘Werkdagen of tellen de weekeinden ook mee?’, had hij nog gevraagd.

‘Hou op of ik maak er drie weken van’ had ze geantwoord. Inmiddels wist hij dat ze het meende. Toen ze het dan uiteindelijk voor het eerst deden was het moment zo beladen dat het bijna werken werd om nog klaar te komen. Sindsdien zagen ze elkaar een paar keer per week en was er langzamerhand iets ontstaan dat je een relatie zou kunnen noemen.  Maar verliefd?, nou nee en het vrijen bleef een beetje plichtmatig. Oh Colette was leuk, zeker. Buiten bed was ze springerig, speels, van de hak op de tak met een wispelturigheid die bijna voorspelbaar begon te worden. Dat was even leuk geweest, interessant, maar eigenlijk hield Gerard daar niet zo van. Je moest hem niet overvallen met een spectaculair plan voor het weekeinde als hij net een boek zat te lezen.

En nu wilde ze dus trouwen. Met hem off all people. ‘Hoe kom je erop’ dacht Gerard. Hij wist ook wel dat hij een aantrekkelijke vrijgezel was, dat was hem vaak genoegd gezegd om het te geloven, maar zijn pad was nu niet direct bezaaid met gelukkig achtergebleven vrouwen. Hij schudde zijn rug en schouders alsof hij zo de gedachte weer kwijt kon raken, maakte met zijn handen een kommetje onder de kraan, liet het water over zijn gezicht lopen en depte het vervolgens droog met een stapeltje groene papieren handdoekjes.

‘Kom’, dacht hij, terug naar het slagveld. Hij knikte zichzelf bemoedigend toe en liep terug naar het terras.

Colette praatte half omgedraaid met twee vrouwen aan de tafel achter haar.

‘Deze mevrouw Gerard, uh Jeanine he, Jeanine hier schrijft net zo’n boek als jij’.

‘Dat kan niet’, mompelde Gerard binnensmonds, ‘dat schrijf alleen ik’. Hij toverde zijn breedste en meest niets zeggende glimlach tevoorschijn.

‘Wat toevallig’.

Hij ging zitten. Colette praatte nog wat en draaide zich toen weer naar hem toe.

‘Typisch jou weer om zo te doen’, zei ze zachtjes.

‘Wat doe ik dan?’

‘Dat weet je verdomd goed Gerard blaaskaak’. Zo noemde ze hem in haar meest kwaadaardige buien.

‘Je wilde het ergens over hebben’, begon hij.

Nee, niet over hebben, ik ga met je trouwen, dat zei ik’.

Gerard was zich bewust van de stilte die hij liet volgen. Dat het zijn stilte was. En dat de gelegenheid voor de goede reactie al voorbij was. Alles wat hij nu nog zei zou bedachtzaam klinken, weloverwogen. Daarbij, ze had helemaal niets gevraagd. Ze had iets gezegd.

‘Ik trouw niet met je Colette. Nu niet, volgende maand niet en volgend jaar niet. Nooit Colette, hoor je me, ik trouw nooit met je’. Hij had kalm en zonder enige nadruk uitgesproken, zonder zijn stem te dempen naar het niveau van ingehouden ruzie maken.

‘Ik trouw niet met je omdat…’.

Met een snelle beweging legde Colette de drie vingers van haar linkerhand tegen zijn lippen.

‘Shhh, ik weet wat je gaat zeggen maar dat wil nog niet zeggen dat ik het wil horen. Ze was even stil, keek opzij, het duurde even voordat ze weer het woord nam.

‘Dat weten we dan’, zei ze bijna monter. ‘Zullen we dan nu maar iets te eten bestellen?’

Een vaag gevoel rond zijn middenrif zei Gerard dat er iets helemaal mis aan het  gaan was.

Lees verder / reageer

Zeventiende Bundesland?

Afbeelding ColumnsAls het in Duitsland regent, kun je in Nederland maar beter een paraplu koNederland leeft van Duitsland. Gaat het daar goed, dan ook met ons. Zit Duitsland economisch in een dal dan gaan wij ook bergafwaarts.

‘Laat Angela Merkel Nederland er op maandagochtend maar bij doen’, suggereerde orakel Maarten van Rossum onlangs in een televisie-programma. Het is wel interessante gedachte. Als je de Frankfurter Algemeine zondagskrant leest, weet je wat Rutten die week over Europa gaat zeggen. Politiek hobbelen we al jaren achter onze oosterburen aan. Dat moet ook wel. Nederland zit aan Duitsland vast als een echtpaar in een huwelijk met een te hoge hypotheek. We kunnen ons geen echtscheiding veroorloven.

Nederland als 17e Bundesland, is dat een aantrekkelijke gedachte? Gemeten naar bruto nationaal product zou Nederland daarmee in één klap het belangrijkste Bundesland zijn. Dan is onze invloed op Europa vermoedelijk groter dan nu. Niederlande als belangrijke factor in plaats van onbetekenend buurtje. En de cultuurverschillen? Ach, die zijn binnen Duitsland ook enorm. Het vrijgevochten, wereldse Hamburg is niet te vergelijken met het ‘gut bürgerliche Thüringen en de kloof Bayern – Dortmund is nog dieper dan die tussen Ajax en Feyenoord. Kortom, het lijkt nog niet zo’n gekke gedachte. Met onze nieuwe snelwegregel van 130 hebben we de eerste stap al gezet. De Betuwelijn wordt dan eindelijk doorgetrokken, geen twijfel meer over wie wereldkampioen voetbal wordt, en ik voorspel D’66 een grote toekomst: zoiets hebben ze nog niet in Duitsland. Misschien had Bismarck er in 1871 nog één vorstendommetje bij moeten doen.

Het stemlokaal voor de Europese verkiezingen is in het schoolrestaurant van het Goethe Gymnasium bij om de hoek. Nieuwsgierig naar hoe dat in Duitsland gaat, wandel ik mee met een vriendin die haar demokratische plicht gaat doen. Ik probeer de voorzitter van het stemlokaal uit te leggen dat ik het bijzonder vind dat ik in Duitsland niet mijn Nederlandse stem voor Europa uit kan brengen. De ironie ontgaat haar, en ze begint een uitgebreide uitleg over het hoe en waarom van de regels.

Op de terugweg maak ik me daar vrolijk over.

‘Du bist in Deutschland’ zegt ze, en daarmee is ook alles verklaard. Duitsland is een door en door bureaucratisch land, tot in detail georganiseerd met ambtelijke strukturen, voorschriften en regels. Zonder stempel en handtekening gaat er hier geen deur open. Dat ik met een kopietje van mijn rijbewijs en een handtekening in Nederland iemand voor mij mag laten stemmen, zonder dubbel gecontroleerde garantie dat die persoon stemt zoals ik wil, kan men zich hier niet voorstellen.

Toch maar niet dan? Later die middag maken we een wandeling naar het nabij gelegen Schloß Belverder. Het is een eeuwenoud, prachtig complex met fraai aangelegde tuinen in een groot landschapspark. Uit de open ramen klinkt muziek. Piano, een viool. De hogeschool voor muziek is er gehuisvest. De studenten, talenten uit binnen en buitenland, wonen er intern. De kosten drukken zwaar op de landsbegroting maar het is ondenkbaar dat het zou verdwijnen.  Dat is dan ook weer Duitsland. 17e Bundesland, er is wat voor te zeggen.

Lees verder / reageer