Buurt-sharia

Afbeelding ColumnsEen middelgroot dorp onder de rook van Utrecht halverwege de vijftiger jaren. We woonden niet op stand maar ook niet aan de zelfkant. Vanuit onze straat kon je nog twee kanten op: hogerop of naar beneden. Hogerop was bewegen richting noord met als droom ooit tot over de spoorbomen, waar achter de hagen van rhodondendrons de oude en nieuwe rijken zich verstopten. Beethovenlaan, Paulus Potterlaan. Afzakken betekende verhuizen op. Hertenlaan, Snippenlaan, Fazantenlaan, die kant op. Ik kan het nog altijd in de namen horen. Daar bleef je liever. weg. Er waren weliswaar geen Bloods en Crips, New York bestond alleen volgens horen zeggen, maar daar alleen rondzwerven was vragen om een pak slaag.

Een straat verderop woonde de familie D. Die waren anders. De kinderen zag je weinig buiten spelen. ‘Zwarte kousen’ zij mijn moeder. Fijnzinnig gereformeerd of was het christelijk gereformeerd? Vraag me niet precies het verschil. Het fijn van fijnzinnig betekende in elk geval niet ‘oh wat fijn’. Het was het fijn van fijnmazig. ‘Fijn als gemalen poppenstront’ pleegde mijn vader te zeggen. Er kon in huize D weinig door de beugel. Wij waren thuis Hervormd. Ook zo’n mooi woord: Hervormd’. Geen idee wat we dan vóór onze hervorming waren maar onze christelijke stroming was een losgeslagen bende vergeleken met de strengheid bij de familie D. De kinderen werd verboden met ons te spelen denk ik. Je zag ze nooit. Goddeloosheid schijnt zwaar besmettelijk te zijn. Het toeval of wellicht de inteelt, geen idee, maar je moet toch wat als je nooit naar buiten mag, had er voor gezorgd dat de familie D een zeer uitzonderlijk bloedgroep had. Als er in een ziekenhuis in de omgeving een noodgeval werd binnengebracht, waarvoor juist dit type bloed nodig was, stopte er steevast een politie auto bij het huis van de familie D en ging er op stel en sprong een gezinslid mee om reddende engel te spelen. Zo ging dat toen. In ons buurtje had nog vrijwel niemand een eigen auto.

‘Dat doen ze toch maar’, zei mijn vader wel eens, als wij ons weer eens vrolijk maakten maakten over de D’s.

Op een maandag ging het verhaal rond dat in de kleine uurtjes van de zaterdagnacht het weekeinde daar voor, er weer eens een politie auto voor het huis van de D’s stond. Wij woonden tegenover de melkboer. Dan ben je goed geïnformeerd. Buren hadden ‘s nachts door een kier van de gordijnen gezien hoe een agent langdurig heftig gesticulereerde tegen vader D maar uiteindelijk onverrichterzake vertrok. Bloed geven was voor de D’s werken, ging het verhaal. En werken op zondag mocht niet van hun God. Of van de fijzinnig gereformeerde geloofsbroeders, daar wil ik af zijn.

‘Ik hoop dat God ze net zo voor de deur laat creperen als ze aan de beurt zijn’ bromde mijn vader, die als je hem voldoende tergde ongemeen scherp uit de hoek kon komen. Vanaf die dag bestond de familie D voor onze buurt niet meer. Ik sloot me aan bij een groepje jongens een kop groter dan mij, dat zich specialiseerde in stenen gooien naar de kinderen D. Op een avond wees mijn moeder me terecht. Ja het was erg wat er gebeurd was, natuurlijk keurde ze dat niet goed, maar die kinderen konden er ook niets aan doen. Met stenen gooien naar de vijand bleek de hervormde god niet in te kunnen stemmen.

‘Maar er is iemand dood gegaan’ protesteerde ik nog.

‘Dat zijn maar verhalen, dat weet niemand hier’, riposteerde mijn moeder.

‘Die kinderen kunnen er niets aan doen’, droeg mijn vader een steentje bij. De drie kinderen D bleven nog lang een poort of tuinpad inglippen als wij met een groepje van de andere kant kwamen.

Buurt-sharia, niet eens heel erg lang geleden.

Lees verder / reageer

Ga toch fietsen…pardon, skaten!

IMG_0466Niet op van die wieltjes natuurlijk. Dat valt zo hard. En ook niet op de smalle ijzers. In de eerste plaats omdat je daarmee maar zelden de vrije natuur in kan, het is per slot alweer zo’n K-winter, en dat dus veroordeeld tot eindeloos rondjes te draaien op een vierhonderdmeterbaan. Met tig andere hamsters in de tredmolen. Das niks voor Simon.

Ik bedoel skaten met ski’s: skating langlauf! Schaatsen op de ski zogezegd. Jaren geleden probeerde ik het al eens, maar met matig resultaat. Deze winter deed ik een tweede poging. En kijk: Simon glijdt! Nu gaat natuurlijk niets vanzelf. Anders dan bij de vorige poging nam ik dit keer ordentelijk les. Niet eens veel. Een uurtje privé-ondericht bij Roosmarie, een klein, tanig, al wat ouder dametje, maar erg-erg-goed. Binnen vijf minuten zag ze op welke cruciale punten bij mij de verbetering nodig was. Daar gaan we:

Veel meer mijn gewicht boven het glijbeen brengen, armen bij je schouders en stokafzet bij de bal van de voet, lange afzet tot armen gestrekt naar achteren en dan je ’stuur-been’ terughalen tot bijna hakken tegen elkaar. Nu weet ik uit mijn onderwijs praktijk dat je vaardigheden beter kort en vaak kunt oefenen dan één keer lang. Mijn dagen gingen er dus iets anders uitzien. Geen lange tochten meer het hele dal door, of hijgend halve professionals proberen bij te houden. Nee, in plaats daarvan het pittoreske rondje in de buurt van het hotel met weinig hoogteverschil, dus weinig kracht nodig, veel zuiver op techniek, en in circa driekwartier weer terug. Uitblazen met een Latte en dan weer een rondje. Als het zwaar wordt moet je stoppen. Als je aan je techniek wilt werken tenminste. Het is net als bij schaatsen, als het zwaar wordt ga je werken, fouten maken, het glijden verdwijnt en daarmee is de vaart ook weg en wordt het op huis aan worstelen. Je slijpt dan de verkeerde dingen in. Eerst de techniek, later mag ik proberen de snelle jongens bij te houden.

Binnen anderhalve dag voel ik me volledig vertrouwd, ook zonder stokken. Ik kan nu ook soepel wisselen van voorkeursbeen, nodig voor scherpe bochten naar rechts. Bijna alle schaatsers hebben links hun voorkeursbeen. Dat komt door al die rondjes linksom draaien. Dan stuur je de bocht in met je linker been. Aanvankelijk voelt dat met rechts dan heel raar. Ik oefen het door na alle vijf slagen met een tussen-pasje van been te wisselen. Een uur later draait de rechterbocht zo soepel als de linker. En ik ga inmiddels ook bijna twee keer zo hard als aan het begin van de week. Kortom techniek, techniek, techniek. Kracht komt later wel. Van al die kracht heb je als fanatieke fietser in het begin meer last dan gemak.

Het blijkt de ideale wintertraining. Als je met skaten een beetje doorwerkt, zit de hartslag bovenin hf 1, langzaam heuvel-op in hf 2 en weer naar beneden in ’herstel’. Wat wil je nog meer! Vallen doet bij deze duursport geen zeer, en door de flexibele ski-binding moet je wel heel erg je best doen wil je iets blesseren.

Waar ik die winterpret haal?

Eigenlijk moet ik dat natuurlijk geheim houden. Het is er relatief rustig. Alpine met zijn lawaaiige apres-ski ontbreekt. Een dal op 1100 meter hoogte, dus behoorlijk sneeuw zeker ook in deze tijden, heel veel kilometers loipe, volop accomodatie in middenklasse en hoger, een vriendelijk en zeer terzakekundig ski-verhuur met prima service en ja… Dat ene Hotel. Dat houd je allemaal graag voor jezelf.

Vooruit dan maar.

Oostenrijk, Leutasch, vlakbij Seefeld. Ongeveer 850 km rijden vanaf Utrecht maar er gaan ook treinen. En dat Hotel? Karwendel! Zeer relaxed, prima kamers, een voortreffelijk vijf-gangen-diner, lekkere wellness, mooie wijnkaart en… Geen kinderen onder de zestien! Natuurlijk, zoiets is geen budget-hotel maar ze zijn ook niet belachelijk duur. Wedl sport, een paar kilometer verderop in het dorpje Weidach, verhuurt eerste kwaliteit materialen en weet waarover ze praten.

Zeg maar dat ik u gestuurd heb.

Simon

Lees verder / reageer

Fictie bestaat niet


De Volkskrant van 17 januari wijdde er in de bijlage Sir Edmund een artikel van zes pagina’s aan. Het zinnetje ’fictie bestaat niet’ zat al een poosje in mijn kop, toen ik las wat van van Heesakers en Kraak onder de kop ’Ceci n’est pas mon père’  bijeen gesprokkeld hadden. Het openingsstatement laat geen twijfel over wat hun conclusie is: ’juridisch en letterkundig is het duidelijk: een romanpersonage mag je nooit zomaar verwarren met een echt bestaand persoon’. Dat zette me opnieuw aan het denken. Is dat wel zo? Het is mij een iets te gemakkelijke uitspraak.

Aanleiding tot het artikel was de rechtszaak onlangs van de vader van Emma Curvers tegen zijn dochter. Of tegen het boek van zijn dochter, Iedereen kan schilderen, zo je wilt. In dat boek beschrijft Emma Curvers de jeugd van haar hoofdpersoon Iris Kostons. Werkelijke gebeurtenissen aangelengd met fictie, zoals ze zelf zegt. In interviews verhult ze niet dat ze haar jeugd van zich afgeschreven heeft. Haar vader vindt zich op beledigende wijze beschreven, werd er op aangekeken in het dorp en kaartte dat aan.

De rechter had er weinig denktijd voor nodig. Zo’n zaak win je niet in het Nederland van na Reve en Hermans. Het zijn immers maar romanpersonages. Heesakers en Kraak zetten geen enkele vraagteken bij die uitspraak. Schrijvers zijn in Nederland vrij om hun gedachten de vrije loop te laten. En ja, natuurlijk, dat moet zo blijven.

Toch zijn er heel wel vraagtekens mogelijk. Mag je onder het mom van fictie alles schrijven? Ook als je in interviews niet onder stoelen of banken steekt over wie je het hebt? Is de roman de aangewezen vorm voor een persoonlijke afrekening? Bestaat fictie überhaupt?

Nederland kent een lange geschiedenis van dit type boeken. De Anton Wachter cyclus bijvoorbeeld, acht kloeke delen waarin Vestdijk heel dicht bij zijn eigen geschiedenis bleef met niet altijd een glansrol voor zijn ouders. De Nederlandse à la recherche zou je kunnen zeggen. Vallende ouders van AFTH, de titel zegt waar het over gaat. Jeroen Brouwers rekende ook heel wat af en laatstelijk had ik bij  Een dorsvloer vol confetti van Franca Treur ook al zo mijn gedachten. Topstuk in dit genre is een ‘roman’ waar ik toevalligerwijze op attent werd gemaakt door een kennis in Duitsland; De beddenverkoper  van Michael Kumpfmüller. Het beschrijft de lotgevallen van een familie in voormalig Oostduitsland. Het boek werd geroemd, een Spiegel Bestseller, vertaald en verkoopsucces. Nergens in de vele interviews vermeldt de auteur dat het woordelijk de levensgeschiedenis van zijn oud-oom is. Zorgvuldig en heel leesbaar opgeschreven, maar met weinig meer eigen bijdrage dan dat. Zelfs veel namen zijn ongewijzigd. Een paar feiten meer en het had een familie-biografie mogen heten. Maar Kumpfmüller sprak nooit over een mogelijke bron. Er kwam geen succesvol tweede boek, dat laat zich raden.

Terug naar mevrouw Curvers en de Volkskrant. Op de eerste pagina van haar boek staat ‘hoewel werkelijke gebeurtenissen en personen de inspiratie vormden voor dit verhaal, berusten zowel het verloop van het verhaal als de personages op fictie’. Over die zin is vast lang nagedacht. Het is een disclaimer die terecht argwanend maakt. Zeker als je dan ook nog rond bazuint je jeugd van je afgeschreven te hebben. Het geeft Emma Curvers alle ruimte, maar maakt tegelijkertijd vader Curvers vogelvrij. Zo kan elk familielid, de buurman of weet ik veel welke vage kennis die een pen kan vasthouden, vrijelijk zijn gal spuien. We noemen het een roman en daarmee uit. Wat in het dagelijks leven smaad heet, wordt vermomd tussen kaft en flaptekst tot kunst verheven. Mooi opgeschreven wellicht, maar daarmee nog geen roman. Het is helemaal geen fictie. Meer een biografie met te weinig distantie.

Bestaat fictie überhaupt? Kun je een boek verzinnen? Als ik de hersenwetenschap goed volg, is men het er in die discipline tegenwoordig wel over eens dat de bovenkamer een gesloten systeem is. Er kan alleen uitkomen wat er ooit is in gegaan. Niet dat wij van alles wat binnenkomt niet ons eigen verhaal van kunnen maken. Sterker nog, als het er weer uit komt, ís het ons eigen verhaal. Inclusief misverstanden, leugentjes om bestwil of misvorming naar de eigen opvatting. Die inkleuring is onontkoombaar. Wat we doen in dat zogenaamde ‘creatieve schrijfproces’, is dat wat ooit het hoofd is in gegaan door elkaar husselen en, hoe verassender hoe creatiever, in nieuwe samenhang weer naar buiten brengen. Dat heet scheppend werken.Je kunt je dus afvragen of fictie wel bestaat. De grens tussen waar gebeurd en zelf bedacht is geen klare lijn. En de vader van Emma Curvers voelt zich terecht besmeurd, los van wat in het verhaal van de schrijfster waar is en wat niet.

Wat moeten we met dit genre, stiefkind van de echte roman? Op welke moment kun je eigenlijk niet meer van een roman spreken? Waar wordt de schrijver opschrijver? De rechter brandde er zijn handen niet aan. Adriaan van Dis kiest in zijn laatste boek Ik kom terug voor een fraaie tussenvorm. Nergens krijg je bij het lezen het gevoel dat hij achter de rug van zijn moeder om nog iets wil afrekenen. Een roman schrijven ten koste van haar. Tegelijkertijd vormt zich een prachtig verhaal. Het is een mooi boek geworden; eerlijk, respectvol. Het kan dus wel. Daar kan menig beginnend auteur die meent zijn jeugd van zich af te moeten schrijven nog wat van leren. Maar misschien moet je daarvoor eerst de leeftijd en wijsheid van van Dis hebben.

Het zou schrijvers sieren als ze op het schutblad schreven dat elke overeenkomst met levende personen helemaal niet toevallig is. Soms komt het misschien toevallig zo uit, maar even zo vaak is opzet in het spel. Dat had de rechter in de zaak Curvers mee mogen wegen. Emma Curvers wilde geen roman schrijven, ze wilde afrekenen met haar vader en zocht zich een podium. Emma Curvers bedoelt in het boek haar vader en niemand anders. ‘Elke overeenkomst tussen de personages in dit boek en werkelijk bestaande personen is opzettelijk’ was een meer waarheidsgetrouwe schutbladtekst geweest. Misschien moet de literatuurwetenschap nog eens een kritische blik op de kwestie werpen en met een doorwrochte publikatie rechters op een spoor zetten waarmee niet alleen de vrijheid van de schrijver gewaarborgd is maar ook die van zogenaamde ‘roman figuren’. Het kan niet zo zijn dat de romanvorm een vrijbrief is tot eenzijdige afrekening.

Ik verzet me niet graag tegen de rechtspraak. Maar in de zaak Curvers hadden de rechters ongelijk. Er was opzet in het spel. Je verstoppen achter het argument van fictie is me te gemakkelijk. Fictie bestaat niet.

Lees verder / reageer

Warteraum 2: Als je partner kanker krijgt (afl. 1)

Deutsche Höflichkeit

December 2013. Het gesprek valt stil. De diagnose staat vast. Wat valt er nog te zeggen. Frau Doktor Schneider glimlacht verontschuldigend terwijl ze woordloos de map A.E. Riegel op haar bureau heen en weer schuift. Dan staat ze op, komt achter haar bureau vandaan, loopt op Anna toe en omhelst haar. Terwijl ze haar stevig tegen zich aan drukt fluistert ze ‘es tut mir so Leid für sie’. Anna’s ogen schieten vol. Ik krijg een hand met een nadrukkelijk ‘pass gut auf sie’.

Als we bij de receptie onze jas aantrekken herhaalt het tafereel zich met de doktersassistente. Ze komt er speciaal voor achter haar balie vandaan. Ik kijk verbaasd toe, krijg weer een hand. Artsen die hun patiënten knuffelen. Het lijkt zeer on-Duits. Deutsche Höflichkeit schrijft beleefdheid met zorgvuldig bewaarde afstand voor. We lopen zwijgend naar buiten de enveloppe met de doorverwijzing naar de universiteitskliniek nog in onze hand.

Das Universitätsklinikum huist in een troosteloos zeventigerjaren gebouw in een even troosteloze zeventigerjaren buitenwijk. Het terrein is één grote bouwput. Moddersneeuw. Oberarzt Herr Doktor Scholl. Een kleine, stevig gebouwde man. Zijn gezicht heeft iets uitgesproken jongensachtigs. Kuifje. Hij spreekt zacht. Vriendelijk maar nadrukkelijk. Hij legt uit wat myelom voor ziekte is, wat elke bloedwaarde betekent, en wat dit type kanker aanricht als het niet snel gestopt wordt. Echt genezen is zeldzaam, maar er goede kans op een nog redelijke kwaliteit van leven voor een handvol jaren. Dat wil zeggen als alles lukt wat hij van plan is. Als de waslijst chemicaliën doet wat ze doen moet, ingrepen succesvol zijn en complicaties wegblijven. Ik hoofdreken mee, en realiseer me dat we een klein jaar verder zijn voordat er weer sprake kan zijn van een gewoon leven. Verondersteld dat Anna niet tussendoor ziek wordt. Een verkoudheid betekent nu longontsteking. Aan griep liever niet denken. Er wacht ons een ingewikkeld jaar. De buitenwereld mijden, geen treinen, bioscoop of restaurants, snotterende kleinkinderen uit de weg gaan, handen wassen na elk contact buiten de deur, zeer beperkt bezoek ontvangen, de vuilnisbak niet zelf legen, geen handen schudden, huisdieren verboden, bloemen en potplanten de deur uit. Doktor Scholl somt een eindeloze lijst barre bijverschijnselen op bij zijn toverdoos aan medicamenten. ‘Dat wil niet zeggen dat u dat allemaal krijgt’. Glimlach. Een formulier en een pen: daar graag tekenen dat hij het allemaal gezegd heeft. ’Dankeschön’. Hoe ze zich nu voelt? Er komt weer een litanie aan mogelijke klachten voorbij. Heeft ze hoofdpijnen?, tintentelende vingers?, pijn in gewrichten?, moeite met slapen?, blauwe plekken? Bij ‘ingeslapen voetzool?’ is het raak. Mis eigenlijk. ‘Entschüldigung’, zegt Doktor Scholl, pakt zijn telefoon en verordonneert een mri-scan. ‘Nein, heute, bitte!’.

Warteraum 2 zit vol zwijgend wrakhout. ‘Frau Berg?, bitte kommen sie mit’. Een oude vrouw helpt zich met twee krukken overeind en schuifelt verward de verkeerde kant op. ‘Nein, vorne!’, snauwt  haar man, zonder op te kijken van achter zijn tijdschrift. Wachten en nog eens wachten. Ergens ver weg in de gang schalt het ‘Herr Zimmer!?’ Een verfomfaaide man staat op, propt onhandig een thermoskan en een brooddoosje in een plastic tasje en veegt de kruimels bijeen. ‘Herr Zimmer!’. Zo van ‘komt er nog wat van’. De man loopt half gehaast de gang in. Deutsche Höflichkeit.

Lees verder / reageer