Vallende ouders

Zo heette de eerste roman van A.F. Th., de start van zijn roman-cyclus De tandeloze tijd. Afbeelding TypemachinePrachtig boek. Zijn vader valt zaterdagnacht steevast laveloos van zijn brommer na wat zo mooi ’verlaat café bezoek’ heet. Totale ontluistering.

Zaterdagnacht om drie uur gaat de telefoon. Welke godverdegodver. ’Koperwiek’ blinkt het display. Het verzorgingstehuis waar mijn moeder woont. Klaarwakker. De nachtdienst heeft haar op zijn ronde gevonden. Op de grond voor de koelkast. Gevallen. Wat moest ze daar in godsnaam midden in de nacht. Snaaien? Mijn moeder is al lang opgehouden met normaal eten. Stroopwafels, chokolade, blokjes kaas. Bij het warme eten worden slechts rituele hapjes genomen. Van ons mag ze. Potje vitaminepillen er naast en klaar is kees. Een 93-jarige ga je niet meer lopen betuttelen over gezond eten. Een advocaatje met slagroom lijkt ons prima.

Maar daar ligt ze dan nu. Pijn. Geen idee hoelang ze daar al ligt. Vermoedelijk al uren. ’Het doet zo’n pijn’ zegt ze herhaaldelijk, en stribbelt tegen als het ambulancepersoneel haar zo probeert in te pakken dat ze zonder al te veel gedoe op de brancard gelegd kan worden. Zorgzame, zorgvuldige mensen, vriendelijk, vakkundig. Weten precies wat ze doen moeten. Waar tref je dat nog. Ik bedoel maar, als er dan toch bonussen verdeeld moeten worden weet ik er nog wel een paar. Ik voel me vooral overbodig en rijd even later achter de ambulance aan naar het ziekenhuis.

Vallende ouders. Als dode takken van een boom. Zomaar vallen. Een paar uur ervoor had ik het er nog met mijn tafelgenote over gehad. Hoe erg het was, maar misschien ook wel niet als je helderheid je langzaam in de steek liet. Moeder had ’s middags nog verteld over hoe mooi ’s ochtends het carillon van de domtoren speelde, en dat ze daar graag in bed bij het wakker worden naar luisterde. Een herinnering van lang geleden hopeloos verward met het nu.

’Niets gebroken, uw moeder mag weer naar huis, de ambulance brengt haar zo weer terug’. Heb ik er nu een probleem bij of eentje minder? Moeder is inmiddels weggedommeld. Ik haal de medicijnen bij de nachtapotheek. Als ik terug bij het verzorgingstehuis ben, is de ambulance al weer weg. Moeder slaapt als een roosje. Na een soortgelijke val een paar ja geleden, hebben ze bij haar zonder veel overleg een pacemaker geplaatst. ’Ter voorkoming van een natuurlijke dood zeker?’, grapte ik toen nog tegen de diensdoende arts. Ik ben gek op zwarte humor. Sterven schijnt in een ziekenhuis verboden te zijn.

Eigenlijk mankeert moeder niks. Een beetje in de war, slecht ter been. Ze vindt zelf dat het er wel zo’n beetje op zit. Maar verder kerngezond dus. 93, vallen en dan niks breken. Doe het haar maar na. Ja, geblutst en gekneusd, dat nu wel natuurlijk. Hopeloos maar niet zorgwekkend.

Lees verder / reageer

Warteraum 2: als je partner kanker krijgt (afl.10)

Straks de was inpakken en dan maar weer opweg. Als het weer het maar enigszins toelaat fiets ik elke dag naar het ziekenhuis. Een retourtje is precies zestig kilometer en gaat door een aantrekkelijk, beetje Limburgs landschap. Het is een goede afleiding

Augustus 2014. Anna ligt in de ‘Umkehr’ zoals dat heet: Oude bloedcellen eruit, nieuwe erin. Dat betekent totale isolatie. Ze ligt achter twee sluizen, ik mag erbij nadat ik gedesinfecteerd ben en mijzelf in in beschermende kleding heb gehesen met handschoenen en mondkap. Aanraken verboden. Ze licht in een kamer van zestien vierkante meter waar ze drie weken niet uit mag. Als ze dat al zou willen, want de behandeling is geen pretje. Veel meer dan schuifelen naar het toilet zit er niet in. Ik begin te snappen waarom sommige patiënten als de ziekte terugkeert zeggen: ‘laat maar zitten, ik zie wel hoever ik kom zonder…’ Ze ligt nu anderhalve week voor dood in bed, en naar zeggen is de komende dagen langzaam verbetering te verwachten. Naast haar bed hangt een batterij flessen die van alles en nog wat 24 uur per dag haar lijf indruppelen. Eten gaat maar nauwelijks. Nu en dan een droog toastje met een kom slappe thee.

‘Het gaat goed!’ roepen de doktoren, maar daar merkt Anna maar weinig van. Wat ze bedoelen is geen complicaties, geen infecties. Dat je doodziek bent, is volgens verwachting. Sinds gisteren is er koorts bij gekomen, maar dat zou juist een goed teken zijn. Het toont dat het lichaam op de nieuwe situatie reageert.

De gedachte, dat als ze over twee weken uit het ziekenhuis komt alles weer normaal zou zijn, blijkt wat naief. Die gedroomde vakantie in september, ergens in een rustig hotelletje met een goede keuken, wordt hem niet. De eerste tijd blijft ze extreem besmettingsgevoelig. Zo blijft elk vers voedsel zoals groente, fruit, vlees en vis, nog drie maanden verboden omdat het lichaam zich nog onvoldoende kan verzetten tegen de daarin aanwezige ziektekiemen, ook al zijn die er maar in minuscule aantallen. Jouw en mijn lichaam maken daar snel korte metten mee, maar Anna’s immuunsysteem is als dat van een te vroeg geboren baby die eindelijk uit de couveuse mag: het moet alles opnieuw leren. Daarnaast is het darmslijmvlies door de laatste chemo dermate aangetast, dat voedsel wat om daadwerkelijk verteren vraagt, binnen drie minuten in het toilet klettert. Dat wordt een menu van pakjes en potten, en veel etiketten spellen. Ik denk dat we toch maar thuisblijven, wellicht in Nederland als dat met de controles gaat. Gekscherend zeg ik tegen de arts dat kaviaar en champagne dus binnen de regels vallen. Daar kan hij wel om lachen, maar trekt een vette streep door de alcohol.

Oberarts Scholl zei het vorig jaar na de diagnose al: ‘De behandeling duurt ongeveer een jaar, volgend jaar december weten we hoe u ervoor staat’. Dat had hij dus goed gezien. Nog een dikke drie maanden.

Met een beetje geluk mag Anna vrijdag over een week het ziekenhuis uit. Dat is dan op de kop af de dag van Elbartes begrafenis, nu tien jaar geleden. Daar kan ik met mijn zwarte humor wel wat bijtende zinnen bij bedenken. Gelukkig geloof ik erg in het toeval.

Lees verder / reageer

Met Machiavelli naar school (afl. 6): structuur of cultuur?

machiavelli

Op het eerste gezicht is het een beetje een raadselachtige zin in ‘Il Principe’: ‘vestingwerken hebben geen zin als het volk je haat’. Cultuur wint het altijd van structuur zouden we nu zeggen.

Regels, organogrammen, voorschriften, flow charts, tijdlijnen, lijstjes, planningen, roosters: het leven van de leiding hangt van organiseren aan elkaar. Ook zonder slaaf te zijn van resultaat-management bestaat een groot deel van het dagelijks werk uit regelen en controleren. De organisatiestructuur op orde. Liefst met een mooie diagram er bij.

Op dezelfde manier is voor de leerkracht klasmanagement een belangrijk onderdeel van zijn taak. Noem het maar organisatorisch management. Er voor zorgen dat alles loopt. Hoewel een goede basisorganisatie voor elke school en klas van groot belang is, al is het maar om alles met zo min mogelijk verlies van energie te laten verlopen, zijn er ook grote verschillen in regeldrang tussen scholen en leerkrachten. Veel medewerkers hebben een broertje dood aan al die voorschriften. In de klas is het ‘eerst je vinger op steken en dan pas vragen’ zo’n beetje de oudste structuurmaatregel. Bij de een lukt dat schijnbaar moeiteloos, een ander heeft het allang opgegeven. Als het handhaven van structuur en organisatie meer energie vergt dan het aan resultaat oplevert, is het de vraag of je nog wel goed bezig bent. Machiavelli antwoordt met een mooie metafoor: vestingwerken hebben geen zin als het volk je haat.

Er was eens een school, waar het met het te laat komen van leerlingen de spuigaten uitliep. Nadat het voor de zoveelste keer geagendeerd was op de leraarsvergadering, werd een briefjessysteem ingevoerd. Een leerling die te laat was, moest vanaf dat moment een zogenaamd geel briefje halen bij de conciërge. Met dat gele briefje had hij dan toegang tot de les. Drie keer een geel briefje betekende na schooltijd melden voor één of ander strafcorvee. Na de invoering – brieven aan ouders, gesprekken in mentorles – ging het aanvankelijk wat beter, maar drie maanden later was alles weer bij het oude: veel laatkomers.

Ander verhaal. Een auto-importeur, laat ik het merk maar even niet noemen, klaagde steen en been over het rijgedrag van de werkstudenten die de nagelnieuwe auto’s van de trein waarmee ze naar Nederland werden vervoerd, naar hun parkeervak reden, waar ze op hun koper wachtten. Als er even niet werd opgelet, ging dat ritje van zeshonderd meter met plankgas in de tweede versnelling over het parkeerterrein met lekkere haakse bochten. Fijn, voor zo’n nog niet ingereden motor! Hij besloot ten einde raad halverwege een soort slinger met vernauwing in de weg aan te leggen, chicane in racetermen. Gevolg? Je snapt het al. Nu werd het ‘hoe hard ging jij door de chicane…?’

Onlangs liet een prachtige fotoreportage in Vrij Nederland zien hoe mensen steevast de kortste weg door het gras kiezen als het netjes betegelde paadje ook maar een ietsje om is. Bedenk een regel en men gaat hem ontwijken. De traditionele oplossing tegen te vroeg weggaan, de prikklok, leidt in de meeste gevallen slechts tot lummelen totdat het tijd is. Structuurmaatregelen zijn geen oplossing voor een verkeerde cultuur. Met structuuringrepen verander je geen gedrag.

En die laatkomende leerlingen? Na wat onderzoek en doorvragen bleek het te laat komen bij enkele leerkrachten nauwelijks voor te komen. Wat was daar aan de hand? Dat bleken leerkrachten te zijn, die met een geel briefje wapperen alleen geen genoegen namen.

‘Maar ik heb al een geel briefje gehaald, meneer!’

‘Natuurlijk, dat moet ook, maar je bent te laat bij mij! En niet voor het eerst. Dus moet je ook wat bij mij. Om vier uur bij mijn lokaal, dan zien we wel verder.’

‘Jeetje, hoe lang gaat dat duren?’

‘Dat weet ik nog niet… Ik weet ook nooit hoe laat jij precies komt’.

Die leerkrachten hadden dus maar zelden laatkomers. En de coureurs op de parkeerplaats? Wie opviel door zijn beheerste rijstijl, mocht voortaan op vrijdagmiddag een rondje echt hard in een demonstratie-exemplaar van het snelste sportcoupé model. Met opgewarmde motor natuurlijk, dat wel. Goed gedrag belonen kan ook helpen.

Terug naar Machiavelli. Vestingwerken hebben geen zin als het volk je haat. Wat hij bedoelt is, dat het geen zin heeft je te verdedigen tegen een buitenwereld als de vijand binnen zit. Dat is maar al te waar. Als de cultuur, de manier waarop mensen met elkaar en hun werk omgaan, goed is, komt het negen van de tien keer met de kwaliteit en het imago ook wel in orde. Maar tegen slechte werkgewoontes en slecht onderling gedrag op de werkplek, helpt geen flow chart. Daar kun je geen structuur voor bouwen. Dat lossen regels niet op. Dan is de leidinggevende aan zet. Maar hoe dan? Machiavelli is weer streng. Hij adviseert zo te straffen en belonen, dat mensen het nooit meer vergeten. Anders gezegd: goed gedrag voor iedereen zichtbaar belonen en bij aanhoudend slecht gedrag de confrontatie aan gaan. Niks algemene regel, die eigenlijk alleen voor een paar kwaadwillende bedoeld is. De zondaars er uit pikken en aanpakken. En de goeden? Die studenten vertelden in de lokale kroeg trots, dat ze van hun baas een rondje mochten scheuren in een RS 4 turbo. En die ene leerling weet inmiddels dat hij bij die leerkracht beter niet te laat kan komen.

Vestingwerken hebben geen zin als het volk je haat. Met structuren, regels of voorschriften verander je geen cultuur. Gedrag zit diep verankerd in mensen. Om dat te veranderen moet je dicht op de huid zitten. Bijvoorbeeld, door zo te straffen en belonen dat mensen het niet meer vergeten. Daarmee is Machiavelli eigenlijk een heel moderne leidinggevende. Sturen op gedrag, heet dat nu.

Lees verder / reageer

Warteraum 2: als je partner kanker krijgt (afl. 9)

Hulp?

Juli 2014. Op bezoek bij mijn moeder viel tijdens het wegruimen van rondzwervende kranten mijn oog op een artikel over psychische nood bij partners van kankerpatiënten. Ik mocht de krant van mijn moeder meenemen. Ze had hem al uit zei ze, hoewel hij nog opvallend netjes in de vouw zat. Het bleek om twee korte casus te gaan van  echtgenoten van vrouwen met kanker, becommentarieerd door een psycholoog van het Helen Dowling Instituut, dat zich richt op de psychische begeleiding van kankerpatiënten en hun partners. In de eerste casus ontkent de vrouw de ernst van haar ziekte, wil nog van alles wat niet meer kan, en de man voelt zich van partner veranderd in begleider/verzorger met een werkdag van 16 uur of langer.  De tweede gaat over een man wiens vrouw in de tijd die zij vermoedelijk nog voor haar had, snel alles wilde doen dat ze in haar leven ooit voor ogen had. Veel daarvan hoefde voor de man niet zonodig, hij had meer behoefte aan een nog rustige tijd samen maar werd in gesprekken door zijn vrouw bij herhaling klem gezet met het slecht te weerleggen argument: ‘wie heeft er hier kanker…?’ Toevalligerwijs is het HDI in Bilthoven gevestigd, nabij het voormalig ziekenhuis Berg en Bosch. Met de fiets kan ik er in tien minuten zijn.

Veel partners van kankerptiënten hebben het minstens zo zwaar als de patiënten zelf, benadrukt de HDI-psycholoog. Jouw leven wordt weliswaar niet fysiek bedreigd en je hoeft niet allemaal hoogst onaangename behandelingen te ondergaan, maar de psychische belasting is desalnietemin enorm. De breedte van het eigen leven neemt sterk af, bewust of onbewust prevaleert het leven van de ander. Haar iets weigeren valt zwaar. Alle aandacht gaat als vanzelfsprekend naar de zieke De behandelingsmolen overstemt gemakkelijke alle plannen en verlangens van de partner en zo wordt ongemerkt het eigen leven door het ziekteproces opgeslokt.

Tot voor kort was psychologische hulp voor partners onderdeel van het basispakket ziekenzorg. Nu niet meer. Het HDI luidt in het artikel een soort van noodklok. Het aantal gevallen van burnout en depressiviteit bij partners van kankerpatiënten zou snel toenemen: ‘Ziek zijn is al zo duur, daar legt de partner niet snel nog eens een hoge rekening voor de eigen begeleiding bovenop’.

Heb ik een psycholoog nodig? Eva is een gemakkelijke zieke die nauwelijks klaagt, geen zware eisen stelt en zich niet laat vergelijken met de in het artikel beschreven patiënten. Maar je zult me ook niet horen zeggen dat het afgelopen halfjaar voor mij gemakkelijk was. Ik ken het nut van psychologen, schaam me niet daar hulp te vragen. Een klein jaar na Elbarte’s dood zat het muurvast in mijn kop. Ik weet nog precies hoe heilzaam de serie gesprekken toen waren. De vriendelijk-meedogenloze-buitenstaander die zonder omwegen alles durft te vragen en zeggen. Zo gaan gesprekken met familie en vrienden meestal niet. Die leven mee.  Dat helpt ook, maar is niet genoeg.

Ik houd mijzelf scherp in de gaten. Met de fiets ben ik er in tien minuten.

Lees verder / reageer

Onderwijsconferentie 2015

Hoofdinspecteur Arnold Jonk begreep er niets van. Waarom belden die scholen niet gewoon even als ze twijfel hadden of het wel mocht wat ze van plan waren? Alsof de inspectie zo’n boeman was…

Ineens viel het kwartje. Ik begreep al niet waar deze conferentie voor nodig was. Inhoudelijk voegde het geen bal toe. Er is een rapport, elkaar een beetje feliciteren, de samenvatting nog een keer hardop voorlezen, een ritueel dansje van de politiek en dat was het dan. Zij het dat het een dag duurt. Na eenAfbeelding Columns flinterdun ochtend programma doe ik ’s middags nog een ’sub-zitting’ maar dan geef ik het op. Er is genoeg tegen me gepraat. Als je zo kennis communiceert ga je je afvragen of de inspectie wel weet wat leren is. Op een terras met een kop koffie struikel ik al bladerend over kwaliteitszorg. Daar lees ik dat de evaluatie van het onderwijsproces zeer matig gesteld is maar met de kwaliteit van de toetsen en resultaten picobello. Daar had ik al zo’n vermoeden van. Tot voor kort zag ik honderden lessen per jaar. Een paar lichtpuntjes daargelaten is het grauwe grijsheid. Ik kan er boeken over schrijven, maar dat ga ik niet meer doen.

Waarom dan zo’n conferentie? Er werken daar toch mensen die weten hoe goed onderwijs er uit ziet? Dan verwacht je in zo’n rapport klip en klaar te lezen dat er aan dàt waar in onderwijs het uiteindelijk om gaat, goed lesgeven, nog flink wat mankeert. Mooi niet dus. Letterlijk staat er: ’Voor veel scholen en opleidingen is het nog een uitdaging om ervoor te zorgen dat sturen op kwaliteit ook leidt tot verbetering in de klas’. Pardon? We doen wel van alles de hele dag, zijn er enorm druk mee, maar ons belangrijkste werk wordt er niet beter van. Dat staat er, maar dan in gruwelijk verhullende rapporten-taal. Anders kan ik het niet lezen.

En toen viel het kwartje. Ze draaien er om heen. Ze weten het wel, vinden ook iets, maar zeggen het niet. Ze willen aardig gevonden worden. Dat is ook wat Hoofdinspecteur Jonk met zoveel woorden zei. Bel ons op! De inspectie is je beste vriend. Hoe die slogan inclusief kwaliteitszorg binnen de politie heeft uitgewerkt weten we inmiddels. Het kost vaak moeite ze nog serieus te nemen. Vriendschap veronderstelt verbinding. Daar gaan de meeste mensen omzichtig mee om. Bekijk de film Another Year van Mile Leigh nog maar eens, je krijgt er buikpijn van. Twee mensen die zich onder vriendelijk beschouwend commentaar van hun beste vrienden dood mogen drinken. Vriendschap is mooi maar heeft een corrumperend kantje.

Ze willen aardig gevonden worden. Bel ons toch…

Ik vermoed dat Arnold Jonk geen heel diepgaande studie heeft gemaakt van beoordelen in samenhang met pedagogiek. Vast wel met kwaliteitszorg, getallen en het afvinken van processen maar niet met wat het met mensen doet. Vooruit, anderhalve alinea onderwijskunde:

Er is een belangrijk verschil in effect van de beoordeling op het slachtoffer, afhankelijk van wat er met die beoordeling gebeurt. Als die beoordeling is om af te rekenen – het overgangsproefwerk, het schoolexamen, eigenlijk alles wat er in school gebeurt waarvan docenten zeggen ’het telt mee’ – gebeuren er spannende dingen in het hoofd van het slachtoffer. Overlevingsmechanismen worden ingeschakeld. Daar verstandig met hen over willen praten is als een kringgesprek met kalkoenen over het kerstdiner. De docent wil een rechtvaardige beoordeling geven, de leerling wil een hoger cijfer. Er hangt immers veel voor hem vanaf. Anders wordt het, als de beoordeling gevoeld wordt als feedback om te groeien. Docent en leerling gaan een dialoog aan, proberen elkaar te begrijpen. De uitkomst mag verassend zijn. Leren is geen feiten transport. Bij beoordelen om te leren gaan docent en leerling een verbinding aan die er bij beoordeling om te beslissen juist niet mag zijn. Daar is een koele, mededogen-loze blik nodig: Het is goed, wellicht goed genoeg, of niet.

De doorlopende afwisseling van deze twee rollen zet menig docent in een spagaat. En alleen de heel goeden zijn zich van die spagaat bewust en doen er iets mee. Een enkele school lukt het die twee rollen te benoemen of zelfs te scheiden, wat voor docenten vaak een verademing is. Inspectie mengt ze hopeloos. In onderwijskundige termen: beoordelen om te beslissen en beoordelen om te groeien als één onduidelijk mengsel. Zo valt niemand zich een buil, maar worden ook beiden berichten niet meer gehoord. Het gaat allemaal wel. Conferentie erover en klaar is Kees. Papa is niet boos, papa is verdrietig. Of nog erger, papa ziet ruimte voor groei.

Alsjeblieft inspectie. Jullie willen toch een rol in de kwaliteitsontwikkeling? Begin dan eens met te zeggen wat jullie volgens mij best weten: dat het in grote delen van het onderwijs in Nederland maar middelmatig gesteld is met de kwaliteit van de les. Zeker in het voortgezet onderwijs. Dat het in elk geval veel beter kan. Stuur je inspecteurs die daar wat van snappen de les in. Dag in dag uit. Veel meer hoef je niet te doen. Daar zie je of er effectief geleerd wordt, daar zie of leerlingen zich kunnen ontwikkelen in een gezond leerklimaat. Dat is niet heel moeilijk te zien als je weet waar je naar kijken moet. Daar is geen kwaliteitsrimram voor nodig. En dan volgend jaar graag een glashelder, en ja, zonodig knal-hard rapport zonder social-talk over in beweging blijven, interessante ontwikkelingen en verbeter-culturen. Met de leeropbrengst van dit verslag en deze conferentie is het niet veel beter dan met die van de gemiddelde les: magertjes, morgen weer vergeten.

Lees verder / reageer