Vallende ouders

Zo heette de eerste roman van A.F. Th., de start van zijn roman-cyclus De tandeloze tijd. Afbeelding TypemachinePrachtig boek. Zijn vader valt zaterdagnacht steevast laveloos van zijn brommer na wat zo mooi ’verlaat café bezoek’ heet. Totale ontluistering.

Zaterdagnacht om drie uur gaat de telefoon. Welke godverdegodver. ’Koperwiek’ blinkt het display. Het verzorgingstehuis waar mijn moeder woont. Klaarwakker. De nachtdienst heeft haar op zijn ronde gevonden. Op de grond voor de koelkast. Gevallen. Wat moest ze daar in godsnaam midden in de nacht. Snaaien? Mijn moeder is al lang opgehouden met normaal eten. Stroopwafels, chokolade, blokjes kaas. Bij het warme eten worden slechts rituele hapjes genomen. Van ons mag ze. Potje vitaminepillen er naast en klaar is kees. Een 93-jarige ga je niet meer lopen betuttelen over gezond eten. Een advocaatje met slagroom lijkt ons prima.

Maar daar ligt ze dan nu. Pijn. Geen idee hoelang ze daar al ligt. Vermoedelijk al uren. ’Het doet zo’n pijn’ zegt ze herhaaldelijk, en stribbelt tegen als het ambulancepersoneel haar zo probeert in te pakken dat ze zonder al te veel gedoe op de brancard gelegd kan worden. Zorgzame, zorgvuldige mensen, vriendelijk, vakkundig. Weten precies wat ze doen moeten. Waar tref je dat nog. Ik bedoel maar, als er dan toch bonussen verdeeld moeten worden weet ik er nog wel een paar. Ik voel me vooral overbodig en rijd even later achter de ambulance aan naar het ziekenhuis.

Vallende ouders. Als dode takken van een boom. Zomaar vallen. Een paar uur ervoor had ik het er nog met mijn tafelgenote over gehad. Hoe erg het was, maar misschien ook wel niet als je helderheid je langzaam in de steek liet. Moeder had ’s middags nog verteld over hoe mooi ’s ochtends het carillon van de domtoren speelde, en dat ze daar graag in bed bij het wakker worden naar luisterde. Een herinnering van lang geleden hopeloos verward met het nu.

’Niets gebroken, uw moeder mag weer naar huis, de ambulance brengt haar zo weer terug’. Heb ik er nu een probleem bij of eentje minder? Moeder is inmiddels weggedommeld. Ik haal de medicijnen bij de nachtapotheek. Als ik terug bij het verzorgingstehuis ben, is de ambulance al weer weg. Moeder slaapt als een roosje. Na een soortgelijke val een paar ja geleden, hebben ze bij haar zonder veel overleg een pacemaker geplaatst. ’Ter voorkoming van een natuurlijke dood zeker?’, grapte ik toen nog tegen de diensdoende arts. Ik ben gek op zwarte humor. Sterven schijnt in een ziekenhuis verboden te zijn.

Eigenlijk mankeert moeder niks. Een beetje in de war, slecht ter been. Ze vindt zelf dat het er wel zo’n beetje op zit. Maar verder kerngezond dus. 93, vallen en dan niks breken. Doe het haar maar na. Ja, geblutst en gekneusd, dat nu wel natuurlijk. Hopeloos maar niet zorgwekkend.

Lees verder / reageer

Met Machiavelli naar school (afl. 6): structuur of cultuur?

machiavelli

Op het eerste gezicht is het een beetje een raadselachtige zin in ‘Il Principe’: ‘vestingwerken hebben geen zin als het volk je haat’. Cultuur wint het altijd van structuur zouden we nu zeggen.

Regels, organogrammen, voorschriften, flow charts, tijdlijnen, lijstjes, planningen, roosters: het leven van de leiding hangt van organiseren aan elkaar. Ook zonder slaaf te zijn van resultaat-management bestaat een groot deel van het dagelijks werk uit regelen en controleren. De organisatiestructuur op orde. Liefst met een mooie diagram er bij.

Op dezelfde manier is voor de leerkracht klasmanagement een belangrijk onderdeel van zijn taak. Noem het maar organisatorisch management. Er voor zorgen dat alles loopt. Hoewel een goede basisorganisatie voor elke school en klas van groot belang is, al is het maar om alles met zo min mogelijk verlies van energie te laten verlopen, zijn er ook grote verschillen in regeldrang tussen scholen en leerkrachten. Veel medewerkers hebben een broertje dood aan al die voorschriften. In de klas is het ‘eerst je vinger op steken en dan pas vragen’ zo’n beetje de oudste structuurmaatregel. Bij de een lukt dat schijnbaar moeiteloos, een ander heeft het allang opgegeven. Als het handhaven van structuur en organisatie meer energie vergt dan het aan resultaat oplevert, is het de vraag of je nog wel goed bezig bent. Machiavelli antwoordt met een mooie metafoor: vestingwerken hebben geen zin als het volk je haat.

Er was eens een school, waar het met het te laat komen van leerlingen de spuigaten uitliep. Nadat het voor de zoveelste keer geagendeerd was op de leraarsvergadering, werd een briefjessysteem ingevoerd. Een leerling die te laat was, moest vanaf dat moment een zogenaamd geel briefje halen bij de conciërge. Met dat gele briefje had hij dan toegang tot de les. Drie keer een geel briefje betekende na schooltijd melden voor één of ander strafcorvee. Na de invoering – brieven aan ouders, gesprekken in mentorles – ging het aanvankelijk wat beter, maar drie maanden later was alles weer bij het oude: veel laatkomers.

Ander verhaal. Een auto-importeur, laat ik het merk maar even niet noemen, klaagde steen en been over het rijgedrag van de werkstudenten die de nagelnieuwe auto’s van de trein waarmee ze naar Nederland werden vervoerd, naar hun parkeervak reden, waar ze op hun koper wachtten. Als er even niet werd opgelet, ging dat ritje van zeshonderd meter met plankgas in de tweede versnelling over het parkeerterrein met lekkere haakse bochten. Fijn, voor zo’n nog niet ingereden motor! Hij besloot ten einde raad halverwege een soort slinger met vernauwing in de weg aan te leggen, chicane in racetermen. Gevolg? Je snapt het al. Nu werd het ‘hoe hard ging jij door de chicane…?’

Onlangs liet een prachtige fotoreportage in Vrij Nederland zien hoe mensen steevast de kortste weg door het gras kiezen als het netjes betegelde paadje ook maar een ietsje om is. Bedenk een regel en men gaat hem ontwijken. De traditionele oplossing tegen te vroeg weggaan, de prikklok, leidt in de meeste gevallen slechts tot lummelen totdat het tijd is. Structuurmaatregelen zijn geen oplossing voor een verkeerde cultuur. Met structuuringrepen verander je geen gedrag.

En die laatkomende leerlingen? Na wat onderzoek en doorvragen bleek het te laat komen bij enkele leerkrachten nauwelijks voor te komen. Wat was daar aan de hand? Dat bleken leerkrachten te zijn, die met een geel briefje wapperen alleen geen genoegen namen.

‘Maar ik heb al een geel briefje gehaald, meneer!’

‘Natuurlijk, dat moet ook, maar je bent te laat bij mij! En niet voor het eerst. Dus moet je ook wat bij mij. Om vier uur bij mijn lokaal, dan zien we wel verder.’

‘Jeetje, hoe lang gaat dat duren?’

‘Dat weet ik nog niet… Ik weet ook nooit hoe laat jij precies komt’.

Die leerkrachten hadden dus maar zelden laatkomers. En de coureurs op de parkeerplaats? Wie opviel door zijn beheerste rijstijl, mocht voortaan op vrijdagmiddag een rondje echt hard in een demonstratie-exemplaar van het snelste sportcoupé model. Met opgewarmde motor natuurlijk, dat wel. Goed gedrag belonen kan ook helpen.

Terug naar Machiavelli. Vestingwerken hebben geen zin als het volk je haat. Wat hij bedoelt is, dat het geen zin heeft je te verdedigen tegen een buitenwereld als de vijand binnen zit. Dat is maar al te waar. Als de cultuur, de manier waarop mensen met elkaar en hun werk omgaan, goed is, komt het negen van de tien keer met de kwaliteit en het imago ook wel in orde. Maar tegen slechte werkgewoontes en slecht onderling gedrag op de werkplek, helpt geen flow chart. Daar kun je geen structuur voor bouwen. Dat lossen regels niet op. Dan is de leidinggevende aan zet. Maar hoe dan? Machiavelli is weer streng. Hij adviseert zo te straffen en belonen, dat mensen het nooit meer vergeten. Anders gezegd: goed gedrag voor iedereen zichtbaar belonen en bij aanhoudend slecht gedrag de confrontatie aan gaan. Niks algemene regel, die eigenlijk alleen voor een paar kwaadwillende bedoeld is. De zondaars er uit pikken en aanpakken. En de goeden? Die studenten vertelden in de lokale kroeg trots, dat ze van hun baas een rondje mochten scheuren in een RS 4 turbo. En die ene leerling weet inmiddels dat hij bij die leerkracht beter niet te laat kan komen.

Vestingwerken hebben geen zin als het volk je haat. Met structuren, regels of voorschriften verander je geen cultuur. Gedrag zit diep verankerd in mensen. Om dat te veranderen moet je dicht op de huid zitten. Bijvoorbeeld, door zo te straffen en belonen dat mensen het niet meer vergeten. Daarmee is Machiavelli eigenlijk een heel moderne leidinggevende. Sturen op gedrag, heet dat nu.

Lees verder / reageer

Onderwijsconferentie 2015

Hoofdinspecteur Arnold Jonk begreep er niets van. Waarom belden die scholen niet gewoon even als ze twijfel hadden of het wel mocht wat ze van plan waren? Alsof de inspectie zo’n boeman was…

Ineens viel het kwartje. Ik begreep al niet waar deze conferentie voor nodig was. Inhoudelijk voegde het geen bal toe. Er is een rapport, elkaar een beetje feliciteren, de samenvatting nog een keer hardop voorlezen, een ritueel dansje van de politiek en dat was het dan. Zij het dat het een dag duurt. Na eenAfbeelding Columns flinterdun ochtend programma doe ik ’s middags nog een ’sub-zitting’ maar dan geef ik het op. Er is genoeg tegen me gepraat. Als je zo kennis communiceert ga je je afvragen of de inspectie wel weet wat leren is. Op een terras met een kop koffie struikel ik al bladerend over kwaliteitszorg. Daar lees ik dat de evaluatie van het onderwijsproces zeer matig gesteld is maar met de kwaliteit van de toetsen en resultaten picobello. Daar had ik al zo’n vermoeden van. Tot voor kort zag ik honderden lessen per jaar. Een paar lichtpuntjes daargelaten is het grauwe grijsheid. Ik kan er boeken over schrijven, maar dat ga ik niet meer doen.

Waarom dan zo’n conferentie? Er werken daar toch mensen die weten hoe goed onderwijs er uit ziet? Dan verwacht je in zo’n rapport klip en klaar te lezen dat er aan dàt waar in onderwijs het uiteindelijk om gaat, goed lesgeven, nog flink wat mankeert. Mooi niet dus. Letterlijk staat er: ’Voor veel scholen en opleidingen is het nog een uitdaging om ervoor te zorgen dat sturen op kwaliteit ook leidt tot verbetering in de klas’. Pardon? We doen wel van alles de hele dag, zijn er enorm druk mee, maar ons belangrijkste werk wordt er niet beter van. Dat staat er, maar dan in gruwelijk verhullende rapporten-taal. Anders kan ik het niet lezen.

En toen viel het kwartje. Ze draaien er om heen. Ze weten het wel, vinden ook iets, maar zeggen het niet. Ze willen aardig gevonden worden. Dat is ook wat Hoofdinspecteur Jonk met zoveel woorden zei. Bel ons op! De inspectie is je beste vriend. Hoe die slogan inclusief kwaliteitszorg binnen de politie heeft uitgewerkt weten we inmiddels. Het kost vaak moeite ze nog serieus te nemen. Vriendschap veronderstelt verbinding. Daar gaan de meeste mensen omzichtig mee om. Bekijk de film Another Year van Mile Leigh nog maar eens, je krijgt er buikpijn van. Twee mensen die zich onder vriendelijk beschouwend commentaar van hun beste vrienden dood mogen drinken. Vriendschap is mooi maar heeft een corrumperend kantje.

Ze willen aardig gevonden worden. Bel ons toch…

Ik vermoed dat Arnold Jonk geen heel diepgaande studie heeft gemaakt van beoordelen in samenhang met pedagogiek. Vast wel met kwaliteitszorg, getallen en het afvinken van processen maar niet met wat het met mensen doet. Vooruit, anderhalve alinea onderwijskunde:

Er is een belangrijk verschil in effect van de beoordeling op het slachtoffer, afhankelijk van wat er met die beoordeling gebeurt. Als die beoordeling is om af te rekenen – het overgangsproefwerk, het schoolexamen, eigenlijk alles wat er in school gebeurt waarvan docenten zeggen ’het telt mee’ – gebeuren er spannende dingen in het hoofd van het slachtoffer. Overlevingsmechanismen worden ingeschakeld. Daar verstandig met hen over willen praten is als een kringgesprek met kalkoenen over het kerstdiner. De docent wil een rechtvaardige beoordeling geven, de leerling wil een hoger cijfer. Er hangt immers veel voor hem vanaf. Anders wordt het, als de beoordeling gevoeld wordt als feedback om te groeien. Docent en leerling gaan een dialoog aan, proberen elkaar te begrijpen. De uitkomst mag verassend zijn. Leren is geen feiten transport. Bij beoordelen om te leren gaan docent en leerling een verbinding aan die er bij beoordeling om te beslissen juist niet mag zijn. Daar is een koele, mededogen-loze blik nodig: Het is goed, wellicht goed genoeg, of niet.

De doorlopende afwisseling van deze twee rollen zet menig docent in een spagaat. En alleen de heel goeden zijn zich van die spagaat bewust en doen er iets mee. Een enkele school lukt het die twee rollen te benoemen of zelfs te scheiden, wat voor docenten vaak een verademing is. Inspectie mengt ze hopeloos. In onderwijskundige termen: beoordelen om te beslissen en beoordelen om te groeien als één onduidelijk mengsel. Zo valt niemand zich een buil, maar worden ook beiden berichten niet meer gehoord. Het gaat allemaal wel. Conferentie erover en klaar is Kees. Papa is niet boos, papa is verdrietig. Of nog erger, papa ziet ruimte voor groei.

Alsjeblieft inspectie. Jullie willen toch een rol in de kwaliteitsontwikkeling? Begin dan eens met te zeggen wat jullie volgens mij best weten: dat het in grote delen van het onderwijs in Nederland maar middelmatig gesteld is met de kwaliteit van de les. Zeker in het voortgezet onderwijs. Dat het in elk geval veel beter kan. Stuur je inspecteurs die daar wat van snappen de les in. Dag in dag uit. Veel meer hoef je niet te doen. Daar zie je of er effectief geleerd wordt, daar zie of leerlingen zich kunnen ontwikkelen in een gezond leerklimaat. Dat is niet heel moeilijk te zien als je weet waar je naar kijken moet. Daar is geen kwaliteitsrimram voor nodig. En dan volgend jaar graag een glashelder, en ja, zonodig knal-hard rapport zonder social-talk over in beweging blijven, interessante ontwikkelingen en verbeter-culturen. Met de leeropbrengst van dit verslag en deze conferentie is het niet veel beter dan met die van de gemiddelde les: magertjes, morgen weer vergeten.

Lees verder / reageer

PostNL

Frank Kalshoven schreef er over in de economie-bijlage van de Volkskrant van zaterdag 11 Afbeelding Typemachineapril. Hoe de pakketbezorging bij PostNL de deur uit ging en in handen gegeven werd van zzp’ers waarbij het er alle schijn van heeft dat er sprake is van wurgcontracten onder het mom van modern ondernemen. Minder dan een euro per pakketje zou de de bezorger ontvangen las ik al eens ergens. Verondersteld dat u thuis bent natuurlijk, want niet aannemen is geen geld. Hoe dichter de huizen bij elkaar staan, des te lager het tarief. Vandaar dat die man altijd zo’n haast heeft. Dan betekent flink buffelen voor je inkomen. Als je het al een inkomen mag noemen, want PostNL wil dat de bezorger zelf zijn bestelauto regelt, maar schrijft wel voor wat dat er voor één moet zijn. Dat zijn geen geringe kosten voor een kleine ondernemer. Het heeft wel iets van mijn krantenbezorging van weleer. Betaalt per krant, honden aan je broekspijp en zelf voor je fiets zorgen. Lekke band was pech gehad. De waardering was niet anders dan bij de pakjesman. Gemopper alom. Het zeuren van de klanten begon al als je vijf minuten later was dan normaal of ze hadden het lef te klagen over een vochtige krant als jij in de stromende regen je werk liep te doen. En eentje vergeten betekende nabezorgen. Het was geen vetpot, meer aanvulling van het zakgeld. Zzp’er avant-la-lettre met een wurgcontract. Eén dag in het jaar was het bingo. ’Gelukkig nieuwjaar van de krantenjongen’. Dan leerde je de mensen even kennen. Goede gevers versus krentenwegers. 

Wat Kalshoven vergeet te belichten is waar die hongerarbeid zijn oorsprong heeft. Dat is niet alleen maar het winstbejag van ondernemers. Dat is vooral ook onze zucht naar de laagste prijs. Goede bezorging is wat waard, maar het mag ons niets meer kosten. Schaamteloos klikken we op de site die gratis bezorgt. Maar gratis bezorging bestaat niet. Iemand is het kind van de rekening. Net als bij dat veel te goedkope T-shirt uit India. Met het T-shirt wordt dat ingewikkeld, maar bij de pakketbezorging kunt u direct iets doen. Ik geef sinds jaar en dag 2 euro fooi aan de bezorger. Bij elk pakketje. Dat zijn nog altijd lage bezorgkosten, maar de man wordt tenminste iets fatsoenlijker betaald voor zijn inspanning. Dat is geen aalmoes, dat is rechtvaardigheid. Waarom is het bij Taxi’s, voor de koffie op het terras, of bij de koffers naar de kamer de gewoonste zaak van de wereld? Die mensen verlenen een dienst. Dat doet uw pakjesbezorger ook. Een nette fooi is een mogelijkheid uw waardering te tonen voor iets dat u schijnbaar voor niets wordt aangeboden. Met veel inspanning.

Het verhaal van Kalshoven klopt zonder twijfel. Zijn mailadres heet niet voor niks de argumentenfabriek. Maar terug naar het model van ooit? Dat gaat niet gebeuren denk ik. Het is leuk dat we weten hoe het zit, maar dat verandert niets. Dan maar directe actie. Daden in plaats van woorden.  Als u allemaal doet wat ik voorstel, verdubbelt het inkomen van uw pakjesman met ingang van morgen. Zo wordt het nog een veel gevraagde baan.

Lees verder / reageer

Met Machiavelli naar school (afl.5): ontbind oude milities!

Verdeel en geef ruimte…

Kijk eens goed om je heen in de koffiekamer. Vermoedelijk zie je de vaste groepjes. Je drinkt immers koffie waar je je op je gemak voelt.  Binnen je eigen militie. Als er één plaats is waar de verhoudingen duidelijk worden, is het de koffiekamer wel.

Imachiavellin de koffiekamer dus, maar ook in vergaderingen, in werkbijeenkomsten, op studiedagen; vaak zitten dezelfde mensen bij elkaar. In het café heet het de stamtafel, forensen vormen in de loop van de tijd een soort los zwijgend reisgezelschap per wagon, in de foyer van het theater staan bekenden om elkaar heen. Mensen vormen groepen. In de klas is het al niet anders. Leerlingen zoeken elkaar op en gaan dan niet snel meer ergens anders zitten. Ze vormen vaste milities. Eenmaal gevormd krijg je er geen beweging meer in. In elke klas, werkruimte, op elk kantoor kortom in elke organisatie ontstaan zo vaste patronen wie naast wie zit, en wie met wie werkt.

Groepsvorming gebeurt dus overal. Waar mensen zijn, klonteren ze  samen. Er ontstaan groepjes en patronen. Wie trekt met wie op en bij wie blijf je liever uit de buurt. Mensen kiezen die ‘thuisgroep’ niet toevallig. Wellicht de eerste keer, ‘waar zal ik eens gaan zitten’, maar ook dan is er in je hoofd al bewust of onbewust een agenda: daar niet, daar wel. Mensen gaan niet zo maar bij elkaar zitten. Niet in de koffiekamer en ook niet op een terras. Groepsvorming is een emotioneel gestuurd systeem. Het appelleert aan overleven. Het is het resultaat van een grotendeels onbewust actieprogramma in onze hersenen, dat razendsnel keuzes maakt op basis van wat we voor ons zien en wat we nodig hebben. Het verlangen naar de drie v’s (voedsel, veiligheid en voortplanting) stuurt ons gedrag en bij groepsvorming speelt veiligheid een belangrijke rol. We zitten graag in een vertrouwde omgeving. We willen erbij horen. Voor mannen was dat in de oudheid een levensvoorwaarde. Erbij horen betekende dat je mee mocht op de jacht. In je eentje was je bij dat voedsel vergaren zo goed als kansloos. Je aanpassen aan de groep, daarbinnen je rol nemen, een bijdrage leveren en zorgen dat je geaccepteerd werd: allemaal van levensbelang. Voor vrouwen was dat niet anders. Het was van overlevingsbelang  een plek te mogen hebben binnen de bescherming van de grot en in de nabijheid van water en vuur. Daarvan verstoten worden betekende het einde. Ten tijde van Machiavelli speelde dat principe net zo. In de wirwar van ministaatjes en staten in het laatmiddeleeuwse Italië waren de heersers voortdurend afhankelijk van het aangaan en weer verbreken van samenwerking. Alleen, zonder bondgenoten, was men al snel een prooi van iets grotere vijand. Maar de verkeerde vriend was minstens zo bedreigend als helemaal geen vriend. Goede samenwerking berust op wetten. Dezelfde wetten als die tijdens de gezamenlijke jacht in de oertijd of bij het verdelen van de plaatsen bij het vuur: je had elkaar nodig en je moest wat bijdragen. Wat dat betreft is er weinig veranderd. In de discussie rond nieuwe Nederlanders klinken deze argumenten voortdurend op allerlei manieren verwoord; je moet iets doen om erbij te mogen horen. Luc Stevens noemt ‘relatie’, het gevoel erbij te horen, een belangrijke voorwaarde voor goed functioneren; thuis, op het werk, in de school, in de maatschappij. En de kenmerken er van zijn in wezen onveranderd. Neem de in het onderwijs bekende leerstrategie ‘samenwerkend leren’. De criteria voor het succes daarvan lijken direct aan de oervoorwaarden van ons bestaan ontleend: elkaar nodig hebben en individueel op je bijdrage aanspreekbaar zijn. Het zijn de wetten waaraan natuurlijk gevormde milities voldoen. Dat mensen de neiging hebben in voor hen veilige groepen samen te klonteren is dus alleszins begrijpelijk. Als voor mensen erbij horen zo belangrijk is, waarom daaraan morrelen? Waarom zou je die stevig gevormde milities ontbinden?

Omdat er ook een andere kant van de medaille is. Er zijn ook negatieve kanten aan die zelfgestuurde groepsvorming. Eén belangrijk argument om oude milities te verbreken, komt voort uit principes van leren. Binnen groepen ontstaan rollen en patronen. En als dat vaste groepen zijn, worden dat vaste patronen. Patronen die buitengewoon effectief kunnen zijn, als het uitsluitend om het resultaat van de groep als geheel zou gaan. Maar het gaat om het leren van ieder individu. In zulke vaste groepen doet ieder waar hij goed in is en zo profiteert ieder van de kunde van een ander. Die min of meer vaste rolverdeling, ieder doet waar hij goed in is, is de reden waarom groeperingen, als die lang bijeen blijven weinig effectief zijn als het gaat om leren of ontwikkelen. Ieder blijft binnen zijn eigen, veilige handelingspatroon, en zo doet elk groepslid voornamelijk dat, wat hij eigenlijk al kan. Binnen vaste groepen worden mensen beter in wat ze al kunnen.

In de klas is het al niet anders. Leerlingen vormen groepjes, zitten volgens vaste patronen. Als de leerkracht zich er niet mee bemoeit, werken dezelfden bijna altijd met elkaar. En binnen het team van leerkrachten werkt het net zo. Als je wilt dat de dingen blijven zoals ze zijn, moet je daar niets aan veranderen. Een groot aantal zal de plek gevonden hebben waar men zich goed voelt. Het geeft hun een gevoel van rust en orde. Maar als iemand inderdaad doet wat er van hem verwacht wordt, als hij dat doet omdat hij dat het beste kan, kun je niet meer spreken van leren. Dan organiseert steeds dezelfde groep de werkweek, dan denkt alleen de roosterdeskundige over het rooster, dan blijft het project ‘talen’ een project van alleen talen. Vaste, zelf gekozen groepen resulteert er in dat steeds dezelfde leerling de omslag van het werkstuk maakt omdat hij dat zo mooi kan, iedereen eerst naar Michel kijkt als het om een wiskundeprobleem gaat, dat de hoofdrol in de musical natuurlijk voor Deborah is en dat Joris bemiddelt als er een probleem is. De kracht daarvan is dat deskundigheid benut wordt. Tegelijkertijd wordt die deskundigheid dan niet echt gedeeld. Iedereen blijft opgesloten in zijn eigen specialiteit. Binnen zo’n systeem van vaste verwachtingspatronen vindt weinig ontwikkeling plaats. Ik schrijf graag en veel. Als ik die taak elke keer op mij neem, ontwikkel ik weliswaar die competentie, maar verschuil mij er tegelijkertijd ook achter. Dat korte videofilmpje maken leer ik op die manier niet. Vaste rollen en verwachtingspatronen belemmeren het leren. De leerkracht is de regisseur van het leren, de leidinggevende verantwoordelijk voor de ontwikkeling van zijn team. Het ontbinden van oude milities, zodat er geleerd kan worden, is hun taak.

Zorgen dat iedereen leert is op zich voldoende argumentatie om vaste groepsvorming te doorbreken, maar er is nog een belangrijk argument. Het sociale patroon tussen medewerkers en de groepsvorming in de klas is ook een plattegrond van de macht. Als leerkrachten die vaste patronen in de klas proberen te veranderen, stuiten ze vaak op grote weerstand: ‘Ik werk altijd met Deborah’. Het patroon van de macht bevestigt wie het hoogste woord mag hebben en wie er het zwijgen toe moet doen. Het verankert en versterkt denkpatronen, maakt voorspelbaar en onveranderbaar. Het patroon wijst, zoals Machiavelli het noemt, ‘aanzienlijken’ aan. In de klas zijn het degenen die met weinig woorden beslissen wie wel en wie niet in de groep mag en vervolgens in de groep als vanzelfsprekend beginnen met de lakens uitdelen. Binnen een team werkt het niet anders. In vergaderingen nemen bijna altijd dezelfden als eersten het woord. Ze zetten de toon en bepalen niet zelden de agenda. Daarmee wordt iedereen in de rol en op de plek gedrukt, die van hem verwacht wordt. Je moet van goeden huize komen om dat patroon te doorbreken. Ongetwijfeld zal er in Machiavelli’s motieven voor de uitspraak ‘ontbind oude milities’ ook een argument van ‘verdeel en heers’ gezeten hebben. Maar ook dat is niet uitsluitend een negatief argument. Het is niet alleen maar machtspolitiek. Het is ook verdeel en geef ruimte. Vaste rolverdelingen nemen mensen ook vrijheid en mogelijkheden af. Ze bevestigen de hiërarchie. Het ontneemt talent de kans te groeien. In elke organisatie vind je de mensen die Machiavelli ‘de aanzienlijken’ noemt. Het zijn de formele, maar vooral informele leiders. Vaste patronen doorbreken betekent mensen een kans geven onder het juk van de traditie van de aanzienlijken uit te komen. Het dwingt de aanzienlijken te laten zien waar ze werkelijk goed in zijn en laat nieuwe aanzienlijken opstaan, in de klas en in de school.

Ontbind oude milities. Het is de vuistregel in het klaslokaal, maar ook de manier om tegen de inrichting van een afdeling of sectie aan te kijken, een commissie samen te stellen of een project te starten. Het is geen gemakkelijke strategie. Het vraagt durf en de kracht te beslissen tegen oude gewoontes in. Oude milities, in de klas en in de school, zijn gebaseerd op langdurige, hechte samenwerking en die laten zich niet zonder slag of stoot opbreken. Ze worden als verworven recht gevoeld. Zoals de leerkracht het leren regisseert in de school, regisseert de schoolleider het leren in de organisatie. Daar hoort het regelmatig veranderen van groepering bij. Het ontbinden van oude milities is een belangrijk instrument. Verdeel en geef ruimte.

Lees verder / reageer