Met Machiavelli naar school (afl. 8): Gevlei

 

machiavelli

 

’Wat een goed idee van je.’

’Ik ben het helemaal met je eens.’

Het is niet gemakkelijk de baas te zijn. Het ene moment lijkt vriend en vijand je nog te steunen even later sta je er moederziel alleen voor. Niemand brandt zijn handen maar iedereen heeft een goed gemeend advies.

Hoe dichter je bij de mensen staat, des te gemakkelijker lopen ze even binnen. Zeker, als je voor een lastig besluit staat. Iedereen wil je dan wel even spreken. Met ‘heb je een minuutje voor me’ wordt vaak bedoeld ik heb een dringend advies voor je. Mensen adviseren graag. Leg als leerkracht een vraagstuk neer in de koffiekamer en in een mum van tijd heb je meer tips dan je in weken kunt uitproberen. Iedereen meent over die ene gouden tip te beschikken. Wat moet je met al die ongevraagde adviezen?

Machiavelli geeft daar een op het eerste gezicht wat raadselachtig en tegenstrijdig advies over: ontmoedig al die ongevraagde adviezen maar vraag veel raad. Moet je nu wel of niet luisteren?

Het is het tegenovergestelde van de ivoren toren. De leidinggevende die dichtbij en voor iedereen bereikbaar zijn werk doet. Even binnenlopen kan veel vergaderen voorkomen, veel open communicatie, daar wordt de organisatie toch alleen maar beter van?

Dat valt nog maar te bezien. Van veel praten met de mensen om je heen kun je belangrijke dingen leren. Het vertelt je wat er speelt, wat voor goede en minder goede dingen er allemaal gebeuren, hoe er over dilemma’s gedacht wordt en waar nodig iets aan moet worden veranderd. Dat is de goede kant. Anders wordt het als die gesprekken doorspekt worden met adviezen of goedbedoelde tips: ‘Daar zou je iets aan moeten doen, ik denk dat je het beste…’. Het ongevraagde advies. De ongebreidelde behoefte van mensen je te vertellen hoe zij het zouden doen, waarmee meestal bedoeld wordt: zó moet je het doen. Waar komt dat vandaan? Waarom vertelt men de baas zo graag hoe hij het ‘t beste kan doen? Is het ijdelheid, aanschurken tegen de macht? Ik kan wat jij kan? Jaloezie? Het gevoel erbij te horen? De wens belangrijk te zijn? Bewust of onbewust, in het gevlei willen komen speelt zeker een belangrijke rol.

Moet de leidinggevende ernaar luisteren? Wat moet hij met al dat ongevraagd advies? Machiavelli is er kort over: niets! Sterker nog, ga het uit de weg, laat je niet door iedereen zomaar van alles vertellen. Machiavelli zegt: ontmoedig ongevraagde adviezen. Wat een ander in jouw geval zou doen, is voor de leidinggevende zelden interessant. Iedereen vormt zijn opvatting en besluiten over wat hij het beste doen kan op basis van zijn eigen ervaring, belangen en mogelijkheden. Het zegt iets over die persoon. Of het daarmee ook voor jou van belang is, is op zijn minst twijfelachtig. Jij bent niet wie die persoon is, je hebt andere belangen, een andere stijl en andere mogelijkheden. Doen zoals een ander het zou doen is zelden de goede weg.

Veel naar ongevraagde adviezen luisteren maakt besluiten niet gemakkelijker, maar moeilijker. Er vormt zich een woud van meningen en mogelijkheden in je hoofd, sym- en antipathieën voor de raadgevers gaan een rol spelen en het wordt steeds moeilijker te onderscheiden wat je nu eigenlijk zelf wilt. Het is voor jou niet interessant wat de ander zou doen.

Moet je dan helemaal niet luisteren? Machiavelli zegt in de zelfde zin: ‘maar vraag veel raad’. Adviezen van verstandige mensen zijn gebaseerd op doorleefde ervaring en scherp inzicht. Het is belangrijk dat inzicht of die ervaring te kennen en deel uit te laten maken van je eigen afwegingen. Dat is wat Machiavelli zegt met ‘ontmoedig ongevraagde adviezen, maar vraag veel raad’. Niet het advies overnemen maar de argumenten mee wegen. Dat betekent: doorvragen, dus. ‘Waarom denk je dat?’ in plaats van ‘dat is ook een idee’. Waarop is het advies van die ander gebaseerd? Welk principe zit daar achter? Niet het advies zelf, maar het denken achter het advies, maakt wijzer.

Voor mensen die desondanks graag naar adviezen luisteren presenteert Machiavelli nog een fijne stoot onder de gordel: ‘Iemand die zelf niet intelligent is, kan nauwelijks goed geadviseerd worden’.

En voor de leerkracht? Die moet het voor de klas meestal helemaal alleen opknappen, maar krijgt ongevraagde adviezen te over. Nieuwe collega’s worden als regel overstelpt met goede raad. Al die aardige, ervaren vakmensen die je willen helpen en precies weten hoe het moet. Op vriendelijke toon wordt je uitgelegd het niet zus, maar zo te doen. Goed bedoelde raad, maar in 99% van de gevallen net niet van toepassing op jouw situatie. Collega’s in de rol van externe adviseur. Of het nu een gevraagd of ongevraagd advies is: of het werkelijk helpt, is nog maar de vraag. Wellicht helpt het bij het inzicht, maar verkrijg je met de tip ook de noodzakelijke moed en krijgskunst om het goed te doen? Weten is iets anders dan kunnen. Wat voor de één een gouden tip is, is voor de ander een zinloze maatregel. Er bestaan geen universele adviezen, noch die ene voor iedereen bruikbare gouden tip. Haarlemmerolie bestaat niet. Leerlingen prikken moeiteloos elke maatregel lek, als het om een aangeleerde luchtbel gaat die de leerkracht niet eigen is. Het dat-is-niet-zo-moeilijk-dat-doe-je-zo- advies van de goedwillende collega heeft buiten zijn eigen context maar heel beperkte waarde. Raad vragen kan geen kwaad. Maar doe het op de goede plek; en net als voor de schoolleider is het zaak goed door te vragen. Waarom doet die collega het zus en niet zo? Wat is zijn opvatting over goed onderwijzen en ‘mag ik dan eens komen kijken, als je dat doet in een lastige klas?’

Moet elk advies dan worden afgewezen? Ach, goed gestolen is beter dan slecht bedacht en van Machiavelli mogen wijzen de waarheid zeggen. Sterker nog, hij zegt ‘wees boos als je de waarheid niet verteld wordt’. Maar dat geldt dus niet voor iedereen; voor raad moet je bij de wijzen zijn.

Ontmoedig ongevraagde adviezen, maar vraag veel raad. Luister naar wijzen en verder naar niemand.

Lees verder / reageer

Quote 1. Romantiek

’Oh, we are very romantic, just not with one another’.

Mooie zin. Faye DunAfbeelding Typemachineeway zegt hem met glimlachende ogen in The Chamber, een net iets beter dan middelmatige film naar een boek van Grisham. Anderhalfuur kijken voor één mooie zin. Van mij mag het elke avond. Dunaway speelt een aan verval onderhevige ’southern belle’ met een vrolijk-cynische kijk op haar huwelijk. Teveel drank en sigaretten gemengd met een scherpe tong. Een fractie milder dan in Barfly. Een film met Faye Dunaway sla ik niet over. Ze was ooit een paar jaar getrouwd met Peter Wolf, toen zanger van de J. Geils band. Die sloeg in de Kuip in het voorprogramma van The Stones op de vette riff van ’Love stinks’ een bos rode rozen aan flarden. Alsof hij hout stond te hakken. Moet een leuk huwelijk geweest zijn.

’Oh, we are very romantic, just not with one another’. Ook een manier om je huwelijk te redden. Netjes bij elkaar blijven, maar dan zonder alles verpieterende saaiheid als dagelijks uitzicht. Coetzee schrijft in Het goede verhaal dat een relatie goed blijft, zolang de verhalen van de geliefden niet tot één verhaal versmelten. Eén verhaal behoeft geen dialoog. Einde gesprek. Tot de dood ons scheidt? Tot de dood twee mensen blijven lijkt een betere formule. Zo gezien is het verstandiger in jezelf te investeren dan in je relatie. Grote kans dat het een het andere geeft. Zorgen dat je fris en interessant blijft voor de ander. Voorspelbaarheid als het grote zwarte gat.

Lees verder / reageer

Pensioen

Afbeelding Typemachine

Achter mij in de rij bij de supermarkt.

’En hoe is het met jou?’

’Oud worden is een zegen, maar oud zijn is een kunst hoor!’

Het klinkt niet zorgelijk. Meer als vaststelling. Tot nu toe kende ik alleen de variant ’iedereen wil oud worden maar niemand wil het zijn’. Er klopt iets niet aan die uitspraak maar daarover een andere keer.

Ik gluur onopvallend over mijn schouder. Twee dames van onbestemde leeftijd. Misschien wel de mijne, maar stiekem hoop ik ouder. Veel ouder. Hoor ik daar nu bij? Ik ben rampzalig in leeftijden schatten. Ik kan er zo maar een half dozijn jaren naast zitten. Ze staan in elk geval nog op eigen benen, maar de Ventoux zie ik ze niet meer opfietsen. Dat ga ik over een paar maanden wél doen, maar ben ik desalnietemin nu definitief oud?

Een paar maanden geleden ging ik met pensioen. Voor de wet en voor mijzelf. Het is me niet overkomen, het is mijn eigen besluit. De laatste jaren zijn verdampt in werk en zorgen. Eindelijk tijd voor mijzelf. De verwachting was dat het zou voelen als een ruimvallende jas, met zakken voor alles wat ik graag bij mij heb. Maar echt lekker zit hij nog niet. Alle tijd hebben blijkt een gevaarlijke concept. Zo is mijn bovenkamer niet geprogrammeerd. Vermoedelijk bevalt leegte alleen als onderbreking van veel moeten. Maar ik moet nog nauwelijks iets. Ik zie nog al wat soortgenoten om mij heen de nieuwe vrijheid zo snel mogelijk vullen met allerlei bezigheden. Bestuurtje zus, dagje zo. Nee, woensdag pas ik op de kleine Sam. Dat ga ik niet doen. Vooralsnog heb ik besloten alle tijd te hebben. De ruimte zijn werk laten doen, ook als dat vooralsnog onaangenaam voelt. Vrij nemen van mijzelf. Dat moet eerst goed voelen. ’Pretty vacant’ zongen de Sex Pistols ooit. Die cd moet ik nog ergens hebben. Maar echt pretty wil het nog niet worden. Het is een bekend dilemma. Als alles kan, doe je uiteindelijk niks. ’Zonder stress kom ik mijn bed niet uit’, antwoordde voetbaltrainer Ernst Happel jaren terug, op de vraag hoe hij met werkdruk omging. Dat geeft het aardig weer. Je vrij voelen kan blijkbaar alleen temidden van verplichtingen. Totale vrijheid geeft iets verlammends. Als kind noemde je dat verveling. Tegenwoordig heet het keuze-stress. Ik kan de krant lezen, langs moeder gaan, een eindje fietsen, wasje draaien, uitzending gemist nalopen, de berging opruimen, mijn foto’s uitzoeken. Maar het blijft allemaal steken in een richtingloos soort lusteloosheid. De balkonstoelen moeten nog afgelakt, maar dat kan morgen ook. Net als dat nieuwe boek. Alles kan morgen ook. En dan is de dag ineens voorbij. Ik begin Oblomov steeds beter te begrijpen. Misschien heb ik wel mijn roeping als Russische Landjonker gemist. Niet te vroeg op, een beetje over het land rijden, pacht incasseren, bezoekje aan een minnares en de dag afsluiten met een soirée bij de buren. Dat moet te doen zijn.

’Pretty vacant, and we donot care…’ spuugt Johnny Rotten snoeihard op mijn koptelefoon.

Goed zo jochie, ik kan nog wat van je leren.

Lees verder / reageer

Met Machiavelli naar school (afl.7): Over fuseren, reorganiseren en nog zo wat…

Steden veroveren doen we niet meer, maar wel iets dat daar sprekend op lijkt. We noemen het nu reorganisatie, een overname, fusie, bestuurlijke samenvoeging of gewoon opheffen. Het is in het bedrijfsleven en allerlei instellingen om ons heen, het onderwijs niet uitgezonderd, aan de orde van de dag. Het treft afdelingen, locaties, complete bedrijven en ook hemachiavellile scholen. Het zijn ingrijpende gebeurtenissen voor organisaties. Zeker in onderwijsland. Was kort geleden de school drie straten of drie dorpen verderop nog de concurrent, heb je ineens de zelfde baas. Het onderwijs heeft golven van hele en half-afgemaakte fusies achter zich. In het middelbaar beroepsonderwijs gingen kleine zelfstandige mbo-opleidingen samen tot ROC’s van enorme afmetingen, in het voortgezet onderwijs werden lbo, mavo, havo en vwo brede scholengemeenschappen, in verschillende regio’s is nu een versneld samengaan van basisscholen gaande. Niet alleen op bestuurlijk niveau, dat gebeurde al veel, maar ook locaties worden nu samengevoegd. De kleine, eigen school in elk dorp is financieel onhoudbaar geworden. Dorpen weliswaar dicht bij elkaar, maar met het gevoel te verschillen als Amsterdam en Rotterdam.

Algemeen worden cultuurverschillen tussen organisaties gezien als het grootste struikelblok bij het samengaan. Het is geen grap: de verkeerde sokken van KLM- onderhandelaars vertraagde geruime tijd de fusie met Air France. Als je je zo kleedt, kan het niets zijn, dachten de Fransen. Het eenvoudige broodje kaas tussen de middag was helemaal tegen het zere been. Waar de Nederlanders hun eenvoud wilden demonstreren, zagen de Fransen slechts een totaal gebrek aan levenskunst. Wie wil daar nou mee werken… En eenmaal samen is er nog lang niet altijd sprake van samen. In ROC’s  is het verschil in gedachtes over goed onderwijs tussen de afdeling Techniek en het één deur verder in de gang gelegen Welzijn nog net zo groot, als toen de twee gebouwen vijftien kilometer uit elkaar stonden. Binnen voortgezet onderwijs scholen is vaak een wereld van verschil te zien tussen een vmbo-afdeling en een h/v-tak. Niet alleen daar, waar dat functioneel is, maar ook in omgang tussen leerkrachten, denken, de hele schoolcultuur. Niet zelden werkt de leerkracht van groep acht bijna in een andere school dan die in de kleutergroep. Hoe maak je van twee scholen één? Hoe moet je pas veroverde steden besturen? Machiavelli blijkt weer van alle tijden.

‘Er is geen betere manier om bezit te consolideren dan volledige vernietiging’.

Optie één is bij Machiavelli de nieuw-veroverde stad verwoesten. Ze zo achterlaten, dat ze niet meer bestaat. Het lijkt de ruwe aanpak, niet van deze tijd, maar het is precies wat er gebeurt als een groot, machtig bestuur de kleine niet meer levensvatbare school opslokt. De grote broer plakt er een vleugel aan en het oude gebouw wordt verkocht. De leerkrachten vlakbij pensionering krijgen een aantrekkelijk voorstel om te stoppen, de goeden worden dankbaar ontvangen of zoeken hun heil elders en de zwakke broeders worden weggestopt in een hoekje van het gebouw waar ze weinig kwaad kunnen. De directeur verhuist met een schaal erbij naar het stafbureau en twee jaar later is iedereen vergeten dat die school ooit bestond. Alleen aan de koffietafel spreken enkele oud-collega’s nog wel eens over toen. Dat wil zeggen, verondersteld dat ze elkaar nog tegenkomen. Het heet fuseren, maar het is eigenlijk opslokken. Met de oude school is gebeurd wat Machiavelli suggereert.

Is dat erg? Niet als de oorspronkelijke school een vastgelopen organisatie is met nauwelijks nog beweging in denkbeelden en ontwikkeling. Niet als de cultuur er één van nostalgie is, waarbij het eigen gelijk bovenaan staat. Een cultuur van meer zelf- beleefde dan extern-erkende kwaliteit. Kleine scholen willen vanuit het verdedigen van hun zwakke positie daar nog wel eens naar neigen. Klein is lang niet altijd fijn. Maar als er sprake is van werkelijke onderwijskundige kwaliteit, van een niche in het onderwijsaanbod zoals je die maar weinig vindt, dan is het wel erg. Dan zou deze vorm van zogenaamd samengaan verboden moeten worden.

Optie twee uit de 16e eeuw is het nieuw veroverde bezit ’laten leven volgens eigen wetten, met een kleine machtsdelegatie’. Machiavelli pleit er voor dat te doen met steden met goede opbrengsten en een goed imago. Ook dat komt bij scholen regelmatig voor. Er wordt wel gefuseerd maar op het eerste gezicht lijkt  alles bij het oude gebleven, en dat is de bedoeling ook. Het zelfde gebouw, het zelfde team, vaak zelfs de zelfde directeur, hoewel hij nu wellicht ‘lid van de centrale directie’ heet. De school behoudt zijn eigen gezicht naar buiten, herkenbaar en op de vertrouwde plek. En waar zit die kleine machtsdelegatie dan? Op de centen! Sturen met de hand in de knip; het is al op veel plekken effectief gebleken. Waar vroeger zelf besloten mocht worden, moet nu een handtekening van de echte baas staan. Fuseren gaat negen van de tien keer over geld. Op die manier lijkt er voor de buitenwereld weinig veranderd, zeker als men zo verstandig geweest is het bord op de gevel intact te laten en van alles wat goed was af te blijven. Het is de oplossing, als het in feite daarvoor op alle terrein een goede school was. Kwaliteit in onderwijs blijft zo onaangetast en het houdt zijn gezicht van kleinschaligheid. Of, zoals Machiavelli ongeveer zegt: ‘de voordelen, imago en opbrengsten, van de nieuwe loot stralen af op de grote broer’. Opvreten kan altijd nog.

En de derde mogelijkheid? Als opslokken niet aan de orde is en er teveel met de kwaliteit of cultuur aan de hand is om die met rust te laten heeft Machiavelli een advies dat in geen managementopleiding van vandaag de dag mag ontbreken: ga er wonen! Zorg dat je zichtbaar bent. Als je wilt dat ze erbij horen, dat ze deel worden van jouw cultuur, zul je dichtbij moeten zijn. Sturen op afstand na een fusie of overname is uit den boze als het één organisatie moet worden.

De rector van een grote scholengemeenschap had het plan opgevat een directievleugel in te richten: rector en conrectoren bijeen in een hoek van het gebouw. Dat had hij gezien bij een groot adviesbureau. Daar was de directievleugel een stijlvol ingerichte ruimte, met centraal de ondersteuning en alle leidinggevenden er omheen, direct bij elkaar in de buurt. Regelmatig elkaar even spreken zou zo veel gemakkelijker worden; meer eenheid van leiding zonder eindeloos vergaderen. Gasten zouden stijlvol ontvangen kunnen worden in plaats van tussen ronddravende leerlingen. De redenering leek te kloppen. Alleen er is een groot verschil tussen een school en een adviesbureau. Bij een adviesbureau zijn de mensen meestal niet in het gebouw als ze aan het werk zijn, maar bij hun klanten. Op school vindt de kern van het werk ter plekke plaats. Als het goed is recht onder de neus van de leidinggevende. Eén conrector lag dwars. Hij had een wat haveloze kamer middenin het leshuis vwo. Collega’s en leerlingen liepen zonder afspraak binnen, het contact was open en direct. Voor zicht op de kwaliteit van lesgeven hoefde hij geen nerveus makende lesbezoeken aan te kondigen: hij zag dagelijks om zich heen hoe zijn team het deed. Als hij bezoek kreeg, voelde dat direct de sfeer van zijn afdeling. Dat wilde hij zo houden. De mooie vertrekken waren verleidelijk, maar wogen voor hem niet op tegen dichtbij zijn, daar waar het gebeurt. Het heeft nog heel wat discussie gekost en hoe het met die directie vleugel afgelopen is, weet ik niet. Wel dat hij in elk geval nog steeds in zijn kamer midden tussen zijn medewerkers en leerlingen zit. Dat is precies wat Machiavelli de derde mogelijkheid noemt: hij bleef er wonen!

Leidinggeven op afstand is net zoiets als telefoonseks. Je hebt wel een soort contact, maar er ontbreekt ook iets aan. Om de vergelijking nog iets verder door te trekken, je ziet niet echt wat er gebeurt. Doen ze aan de andere kant van de lijn wel wat jij denkt of hoopt, of zit men onderhand op jouw rekening een boek te lezen. Veel meer dan op het woord afgaan kun je niet. Het echte contact ontbreekt. Nabijheid, daar zijn waar het gebeurt, het met eigen ogen zien, is een belangrijk aspect van leidinggeven. De directeur koekjesbakken moet daar zijn, waar de koekjes gebakken worden. Sturen op afstand is geen sturen; dat is aanwijzingen geven waarvan je hoopt dat ze worden opgevolgd. En hoop is een weinig betrouwbaar sentiment. Dichtbij, zichtbaar zijn, daar gaat het om.

In feite gebeurt vaak het tegenovergestelde. Directies trekken zich terug in vleugels van het gebouw, soms zelf in een eigen kantoor of kantoorvilla, en proberen van afstand alles zo goed mogelijk te besturen. Dat mag allemaal nog goed gaan als er weinig aan de hand is, er een rustige, dagelijkse regelmaat bestaat, en de locatiedirecteur capabel is. Anders wordt het, als er een fusiepartner opduikt of een afdeling van buiten wordt ingelijfd. Als je wilt dat de nieuwe buren erbij horen, kun je zelf niet voortdurend op afstand blijven. Samenwerking ontstaat niet met wekelijks vergaderen, een gezamenlijke cultuur niet door het er twee dagen op de hei over te hebben. De nieuwe verworven afdeling moet niet op zoek naar de leiding, de leiding moet op zoek naar hen.

Nieuw veroverde steden bestuur je van dichtbij. Zichtbaar het goede voorbeeld geven, dat is wat nodig is. Als je een nieuw-veroverde stad echt wilt besturen, moet je er gaan wonen.

Lees verder / reageer

Getallen onzin?

Van elke rit op racefiets of moutainbike en elk wat serieuzer tochtje op de toerfiets, noteer ik de getallen. Al jaren. Afstand, gemiddelde snelheid, hartslag, vermogen; alles wat dat kekke apparaatje op het stuur bijhoudt, belandt sinds twee jaar in een overzichtelijke spreadsheet. Daarvoor waren het schriftjes. Als ik terug blader kan ik zien dat ik ik begin mei 2012 ongeveer evenveel kilometers in de benen had als nu, maar er zatAfbeelding Fietsen toen nog niet zo’n mooie dik 29 gemiddeld over 80 km bij zoals ik die gisteren op de teller zette. En zonder bovenmatige inspanning.

Ben ik nu dus sterker dan in 2012? Gloort er een nieuwe snelste tijd op Ventoux en Huez? De laatste persoonlijke records op die twee puisten dateren uit 2012. Is dit een voorbode dat er deze zomer nog iets van die tijden af kan of was gisteren een toevalstreffer? Ik wordt per slot alleen maar ouder. Ik ben weliswaar in alles een laatbloeier maar een keer moet de lijn omhoog stokken. Je kunt niet bij blijven trainen. Het houdt een keer op. De neergang komt er aan, onvermijdelijk, ook voor mij.

Een fietskennis sloopte een dag na zijn 65 worden de computer van zijn stuur en rijdt sindsdien tevreden zonder. En hard. Niet heel lang geleden deden we samen het kopje van Bloemendaal en het verraste me hoe hard hij omhoog ging. Het is natuurlijk een klimmetje van niks, maar ik word er niet graag afgereden. Ook niet als ik me laat verrassen op een klimmetje van niks.

Ieder mens wil groeien. Ons hele zijn is op die gedachte gebaseerd. Stilstand is achteruitgang. Het is gemakkelijk gezegd dat bergafwaarts ook bij het leven hoort, dat het onnatuurlijk is je daar tegen te verzetten, en accepteren dat het minder wordt een teken van wijsheid is. Maar ik ken nauwelijks mensen die daar heel blijmoedig over praten en bijna iedereen doet wel iets om het tegenovergestelde te bewijzen. De collegezalen zitten niet voor niks vol met pensionado-filosofen in spe. Ook die zijn op zoek naar groei, zij het niet op de Mont Ventoux.

Voorlopig blijf ik die getallen gewoon noteren. En in de benen kriebelt het meer en meer naarmate de zomer nadert. Toch nog maar een keertje naar de Ventoux?

Lees verder / reageer