Met Machiavelli naar school (afl. 9): Rust en orde?

Sommige leiders zitten eeuwig op dezelfde stoel, anderen zijn zo weer weg. Wat is de kracht van het ene en waarom zou je het andere doen? Is het goed voor een organisatie, als er aan de top regelmatig van plek gewisseld wordt?  machiavelli

Volgens Weggeman is zeven jaar de maximale houdbaarheid van een leidinggevende. Hoe dan ook, leiders komen en gaan. Ben je net aan de ene gewend, staat de volgende alweer voor de deur. Organisaties waar de leiding een leven lang op haar plek blijft, worden schaarser en schaarser. Tegelijkertijd is er ook kritiek op die al te frequente stoelendans. Waar is al die verandering voor nodig? Kun je niet veel beter een langdurig stabiele leiding hebben? Is dat niet veel beter voor organisatie en medewerkers? Wat is wijsheid, moet je nu wel of niet regelmatig van leiding veranderen?

Machiavelli schrijft daarover een betekenisvolle zin: ‘continuïteit geeft dat herinnering en reden voor vernieuwing in vergetelheid raken’. Een andere manier om te zeggen: rust roest? Het lijkt er wel op. Continuïteit is het warme bad van de gewoonte; daar klim je niet zonder goede reden uit.

Ik ken enkele scholen waar de directeur of rector al zolang ik mij kan herinneren op die plek zit. Het zijn in alle gevallen goede scholen. Goed in de betekenis dat de organisatie staat en het dagelijks reilen en zeilen zonder veel ophef verloopt. Iedereen doet zijn werk. Natuurlijk is er van tijd tot tijd opwinding, maar die gaat meestal over een terugkomende ergernis of een bedreiging van buiten. De leerkrachten weten wat ze aan de leiding hebben, ieder kent zijn plek en weet de grenzen. De school wordt een beetje een familiebedrijf. Heel grote veranderingen vinden er niet plaats. De stamvader waakt over zijn kudde en iedereen weet niet beter of dat is de directeur. Hij zorgt voor stabiliteit.

Het team mag hem meestal wel. Hij moet het wel heel bont maken, willen de medewerkers zich tegen hem keren. Dat zie je veel bij de mensen die jaren en jaren directeur of rector zijn van dezelfde school. Het zijn vaak prettige mensen en ze geven leiding zonder al te grote tekortkomingen. Machiavelli zegt het weer mooi: ‘Hij wordt van nature bemind, tenzij grote ondeugden hem gehaat maken’. In zulke scholen moet je vaak niet teveel willen veranderen. Gewoon je werk doen binnen de gevestigde, veelal ongeschreven regels. Nieuwe medewerkers komen, zien hoe het gaat en trekken al snel de conclusie of ze willen blijven, of dat dit hun plek niet is; ze snappen dat de ongeschreven regel aanpassen of vertrekken is. Het zijn scholen met een schijnbaar eeuwig leven. Continuïteit geeft rust en orde in de organisatie.

Zou het aan het karakter van het onderwijs liggen dat veel medewerkers dat ook prettig vinden? Als je voor onderwijs kiest, is dat ook een keuze voor orde en regelmaat. Een vast rooster, vaste werkplek, vakantie op een voorgeschreven moment, een roestvrijstalen rechtspositie. Natuurlijk, elke dag, klas, elke les is anders, maar tegelijkertijd ook weer niet. Kiezen voor werken in het onderwijs is kiezen voor veel zekerheid. Dan weet je waar je aan toe bent.

En in de klas? Na een paar weken, uiterlijk maanden, is wel duidelijk of leerkracht en groep elkaar liggen. Als er dan nog geen stabiliteit, of duidelijke lijn is, komt die niet meer. Als het eenmaal klikt, gaat iedereen tevreden naar school, leerkracht en leerling. Vanuit die gedachte zou het goed zijn mentoren of klassenleraren zolang mogelijk bij de groep te houden. Het kost een mentor of groepscoach tijd en inspanning om het gezamenlijke werkklimaat te creëren. Als dat er is, genieten groep en leerkracht van de weldadige continuïteit: het weten wat je aan elkaar hebt, geen onaangename verassingen meer. Feitelijk geldt dat voor de relatie van groeps- en vakleerkracht met de klas net zo. Leerlingen wennen aan zijn gebruiksaanwijzing en andersom. Er ontstaan ongeschreven wetten die met minimale inspanning in stand blijven. Het levert ongetwijfeld veel op, een paar jaar achtereen met dezelfde groep kunnen werken. Continuïteit geeft rust en orde. Nog even en we hebben het over de aloude drie r’s: rust, regelmaat en reinheid.

Maar het gaat ook vaak anders. Elke vijf jaar een andere leidinggevende, de rusteloze roulatieschema’s die veel organisaties bedenken zijn er niet zomaar. Ze hebben een bedoeling. Je kon het ook al in een ander hoofdstuk lezen: ‘Niets is qua voorbereiding moeilijker, qua succes twijfelachtiger en qua uitwerking gevaarlijker dan je opwerpen als vernieuwer’, zegt Machiavelli. Prachtige uitspraak met vermoedelijk eeuwige geldigheid. Ingrijpende verandering aanbrengen in een tot rust gekomen organisatie is geen sinecure. Helemaal in organisaties waar democratisch leiderschap de ongeschreven wet is. Voor dat het voorstel de verhitte discussies in de directiekamer ontstegen is en het voetje voor voetje richting team en medezeggenschapsraad gaat, zijn we weken, maanden, soms jaren verder. Daar waar continuïteit, rust en orde de leefregels waren, is het gedoe niet te overzien als de baas ‘ineens’ iets anders wil. Continuïteit geeft dat de herinnering en redenen tot vernieuwing in vergetelheid raken, zei Machiavelli. Dan hoor je ineens als belangrijkste argument; ‘Zo doen we dat nu eenmaal hier’.

Continuïteit, vertrouwde alledaagsheid, daar houden mensen van. Daarom hapte Willem-Alexander braaf koek elke 30e april, en greep hij zijn kans toen hij de macht van mama mocht overnemen. Het was voor hem het moment om eraf te komen. Dat is ook de reden waarom veel besturen voor een wijziging in de leiding kiezen, als ze ingrijpende veranderingen willen doorvoeren. Grote veranderingen doorvoeren betekent altijd in de cultuur roeren, en vraagt om een andere leider. Dat gaat een onbeschreven blad beter af dan het vertrouwde gezicht. Veranderingen doorvoeren betekent vijanden durven maken en dat is de op continuïteit sturende directeur al lang verleerd. Een nieuwe hakt in mootjes, wat het vertrouwde gezicht probeerde te buigen. Een verse geurvlag bij elke boom. Soms met een prima resultaat, eindelijk weer leven in de brouwerij; soms met fatale afloop en dan druipt de herrieschopper weer af op zoek naar een nieuw strijdperk.

 

En op het niveau van leidinggeven aan een klas? Wie welke les aan welke groep geeft, wordt zelden op andere gronden beslist dan gewoonte en pragmatiek. Continuïteit wordt gezien als een waarde op zich zelf. Roosterwensen, beschikbaarheid en wie gewend is in welke afdeling les te geven zijn beslissend. Wordt er aan het einde van het jaar kritisch gekeken naar hoe de stijl van leidinggeven van de docent op de groep heeft uitgewerkt? Kijkt men naar wat de groep nodig heeft? Welke veranderingenin leergedrag, cultuur zo je wilt, zijn er in een klas noodzakelijk en welke leerkracht lijkt daarvoor de aangewezen persoon? Is het in een groep wellicht de hoogste tijd wat onrust te organiseren in een ingeslapen status quo? Het is niet gemakkelijk vaste verbanden te verbreken, maar het kan noodzakelijk zijn groep en leerkracht uit hun warme bad te halen. Einde continuïteit, omdat er een andere wind moet gaan waaien en daar is een nieuw gezicht voor nodig. Er is een herrieschopper nodig in 3C. Hoe vaak zou het voorkomen dat een leerkracht die opdracht van de leiding krijgt?

 

Continuïteit doet de reden tot vernieuwing in vergetelheid raken. De school is geen rusthuis; het is goed als leerlingen in snel wisselende samenstellingen leren functioneren en van docenten mag je niet anders verwachten. De veel geprezen rust en orde kunnen een wapen zijn, maar zijn tenminste net zo vaak bedreiging. Wisselen van leiding, in school, in een team en in de klas, is een instrument dat je gericht kan inzetten. Het betekent breken met vertrouwde gewoontes. Er is durf nodig om daar voor te gaan staan. Rust en orde zijn wapen en bedreiging.

Lees verder / reageer

Vergeten, kwijtraken en verdwalen?

Terug van weggeweest. Mooie fietstocht, die LF1 van Boulogne sur Mêre naar den Helder. We kozen voor de rijrichting vanuit het zuiden, omdat met een briesje in de rug over de OosterschAfbeelding Fietseneldekering ons aangenamer leek dan met zuid-west 5 tegen. Dat briesje zat inclusief zonnetje op de afgesproken tijd precies in de goede hoek. 

En dat na een week met fikse regen uit het noord-oosten gewaaid te hebben. Wij blij. Wat kan er nog mis gaan? De zee links van je houden en zo’n beetje noord-oost rijden. Trappen maar. De eerste 70 km door Frankrijk zijn alleen noord-zuid bewegwijzerd. Het routeboekje rept daar niet over. Maar ach, zoals gezegd met de zee links van je globaal richting noord-oost rijden, hoe moeilijk kan dat zijn?

Heel moeilijk.

Het routeboek met de etappe-kaartjes lieten we de avond voor ons vertrek uit Boulogne in het restaurant op tafel liggen. Heerlijk gegeten. Stevig besprenkeld op de goede afloop zwalkten we naar buiten om twee straten verder door de luid roepende en met ons routeboek zwaaiende ober te worden achterhaald. Kwaliteit nummer één kon worden afgevinkt.

De volgende ochtend stelde ik voor het vertrek bij mijn fietsmaatje de spd-pedalen wat losser. Inbussleutel 3 ligt nu vermoedelijk nog op de binnenplaats van het hotel. Hij zit in elk geval niet meer in mijn setje. Een beetje rechts van de overdekte carpark, mocht u er langs komen. Dat was dan twee. En nog geen kilometer gereden.

Boulogne in de goede richting uit rijden, bleek nog geen sinecure. En zoals altijd weten lokalioos in hun eigen stad alleen de weg naar het centrum. Tot de verlossende bordjes LF1 verschenen, kwam verdwalen uitgebreid aan de orde. Op goed geluk verder rijden, vaak een fatale stragie die je uitsluitend naar Nergenshuizen voert, bracht ons dit keer goddank aardig in de goede richting.

Na drie gesloten hotels zetten we ons na 145 km aan de Westmalle dubbel. Tenminste 25 km meer dan de bedoeling was. Vergeten, kwijtraken en verdwalen. Dat lukt niet iedereen op één dag. Prachtige tocht overigens. Een goed begin van een vlekkeloze fietsvakantie.

Lees verder / reageer

Pakken

Ik ga op reis en ik neem mee… Een paar dagen voor vertrek begin ik zonder veel plan in een hoek van mijn werkkamer dingen bij elkaar te leggen. Voorpret is de halve pret. Een week fietsen ligt voor me. Dat die stapeltjes daar een paar dagen naar mij liggen te kijken is,Afbeelding Fietsen ook voorzorg.

Ik ben een kanjer in vergeten. Wel reserve-scheercreme maar geen zonnebril, dat werk. Wat ik in hotels aan kledingstukken heb laten liggen, vult gemakkelijk de garderobe van een gemiddelde man. Kwijtraken kan ik ook heel goed. Ik weet zeker dat ik een kompasje had, maar waar? Altijd handig per slot, als je op een zonloze dag geen flauw idee hebt waar je bent. Want daar ben ik ook een ster in, verdwalen. Het heeft een poosje geduurd voordat ik het wilde toegeven, maar het is echt zo: richtingsgevoel nul. Vergeten, kwijtraken en verdwalen. Een interessant portfolio voor iemand die graag onderweg is. Never a dull moment. Heb je alles? appt mijn zus. Ze kent me. Een beetje onrustig kijk ik naar de kleine verzameling, inmiddels ordelijke stapeltjes in de hoek. Dat kan toch niet alles zijn? Twee sets fietskleding, regenjack, het kaarten gedoe, reservebandje, één setje ’net’ voor ’s avonds, fleece voor op een koud terras… Het is maar een weekje. En de tent hoeft niet mee, de reis gaat langs de kust. Hotelletjes en B&B’s te over, en het is nog geen hoogseizoen. Het scheelt een smak bagage als het tentje thuis blijft. De romantiek van je kop bij opkomende zon uit je één-mans-tentje steken, moet ik dan maar missen.

Ik probeer helder na te denken terwijl ik mijn blik voor de zoveelste keer keer over de kleine verzameling laat dwalen. Volgens mij is dit het toch echt.

Als ik alles systematisch over de twee tassen heb verdeeld, is er nog ruimte over. Ik houd eigenlijk wel van licht reizen, maar zo licht? 14 kilo, peanuts. Ah… Het zaklampje!

Over een week leest u wat ik vergeten ben.

Lees verder / reageer

Met de Fyra naar school

In de NRC van afgelopen zaterdag wordt in een boeiend artikel opgesomd wat we kunnen leren van de enquête  over Fyra-debacle. Een van de lessen gaat over kwaliteitscontrole. Dat allerlei certificeringsbureaus zich uitentreure over de bouw van de treinen bij AnsaldoBreda hadden gebogen, dat alle handtekAfbeelding Columnsening ter goedkeuring onder alle rapporten stonden, maar dat je dan dus nog steeds een trein gekocht kunt hebben die met duct tape bij elkaar moet worden gehouden.

Aanbesteding gewonnen, spoor aangelegd, tunnels gebouwd, treintje besteld, veiligheid geregeld… En dan doet hij het niet. Dat waar het om ging, in onderwijs jargon ’het primaire proces van de spoorwegen’, passagiers met het spoor probleemloos van A naar B brengen, dat ging niet. Want de trein deed het niet.

Als dat waar het om gaat, gelukt was, had je nu niemand gehoord. Als die treinen gewoon vlekkeloos hadden gereden, was er geen Fyra-debacle geweest. Dan hadden we nu hooguit wat gemopperd over een ‘miljarden-lijntje’. Waarom  moet ik daarbij enorm aan school denken? Mooi gebouw neergezet, lokalen hightech ingericht, vlekkeloos rooster, gecertificeerd docent voor de klas… En dan lukt het niet. Dat waar het in school om gaat, leren, sukkelt maar zo’n beetje voort en komt niet zelden krakend tot stilstand. Het heeft een godsfortuin gekost en levert vooralsnog meer van hetzelfde. Over lessen waar echt geleerd wordt, hoor je zelden klachten. In de meeste scholen weet men wel waar een Fyra voor de klas staat en waar de echte TGV.

Meneer Dijsselbloem schreef ooit een boeiend rapport over onderwijs. Ik hoef mij niet in bochten te wringen om de conclusies van toen, een op een te verbinden met die over de Fyra nu. Het ging om kwaliteit. En dat kwaliteit pas gestalte kreeg als je mensen de gelegenheid gaf daar ook voor te gaan. Niks afdeling Kwaliteitscontrole, geen Total Quality Management, dumpen die ISO, verscheuren die Balanced Scorecard. De NS had voor de Fyra deskundige ingenieurs met vette vingers nodig, maar ze kregen procedurevinkers.

Kwaliteit van onderwijs wordt gemaakt in de klas. En je moeten weten wat leren is, hoe het voelt en hoe je het kan zien om daar een kwaliteitsoordeel over uit te kunnen spreken. Daar hoef je niks voor af te vinken. Als je weet waarover het gaat, weet je precies wat telt. Ik heb geen hekel aan managers, er moet wel eens wat georganiseerd worden. Maar als je niet weet hoe je een goede trein eruit ziet, ligt er een hoop vertraging in het verschiet.

Het rapport Dijsselbloem is nooit echt uitgevoerd. Op die snelle trein moeten we ook nog wat wachten.

Lees verder / reageer

Warteraum 2: epiloog

In de laatste Warteraum heb ik u een epiloog beloofd. Terugblikken is gemakkelijk. Als ik in alle rust mijn gedachten over het rampjaar 2014 laat gaan, kan ik het allemaal wel verklaren. Coetzee schrijft dat je een verhaal construeert waarin je leven kan. Dat verhaal is niet per se de waarheid. Soms zelfs verre van dat. Maar wel jouw waarheid, de waarheid waarmee jij verder kan.

Het is niet goed afgelopen. Anna kreeg circa twee maanden na het afsluiten van de behandeling een terugval en ondergaat opnieuw een langdurige, zware behandeling met een onzekere uitkomst.  Ik ben daar niet bij. Anna en ik zijn niet meer bij elkaar. Ik schrijf met opzet niet dat we uit elkaar zijn. Dat draagt een schijn van overeenstemming in zich. Die was er niet. Ik heb haar verlaten.

Al lange tijd zat er iets niet goed in onze relatie. Daar wil ik hier niet over uitweiden, dat is te persoonlijk. Het was voor mij wel iets fundamenteels, iets wat aan de kern van onze relatie raakte. Maar begin daar maar eens over. De diagnose kanker veegt alle andere gesprekken van tafel. En je gaat tussen een bestraling en een chemokuur niet even je relatie evalueren. Ik in elk geval niet. En er waren natuurlijk ook talloze goede momenten. Zo ga je verder, de ziekte absorbeert al je aandacht en energie, je probeert je er doorheen te slaan, droomt dat dit voorbij zal gaan. Je probeert dat andere, dat probleem, weg te schuiven, onbelangrijk te maken, maar echt verdwijnen doet het natuurlijk niet.

Warteraum begon in januari 2014 als een rondschrijven naar een kleine kring vrienden en familie om te laten weten hoe het ons verging. Schrijven helpt. Ik zat negentig procent van mijn tijd ver weg in Duitsland en wilde op een of andere manier contact houden. Na mijn terugkomst in Nederland heb ik na wat nadenken en praten met vrienden besloten te teksten enigszins aangepast als een blog op mijn website te plaatsen. Ik wilde laten zien wat kanker met het leven van de gezonde partner doet.

Anna en ik kenden elkaar nog geen jaar toen zij de diagnose kanker kreeg. En dan heb je nog kanker en kanker. Deze zou nooit meer over gaan, hooguit tot staan gebracht worden. In slaap gewiegd zou je kunnen zeggen, al klinkt die uitdrukking veel te zacht voor de behandeling die daar voor nodig is. De beslissing vanaf dat moment bij haar te blijven, mijn leven in Nederland min of meer op te geven, voelde niet als een groot besluit. Ik was er van overtuigd dat ik uit liefde bleef en niet uit plichtsgevoel of uit angst voor afwijzing door mijn omgeving omdat je zoiets niet doet, een partner met kanker verlaten. Maar hoeveel daarvan kun je zeker weten? Je maakt je eigen verhaal, een verhaal waarin je leven kan.

In de loop van het behandelingsjaar ben ik met een andere blik naar partners van een langdurig of ongeneeslijk zieken gaan kijken. ’Iedereen kan morgen dood gaan, jij ook’, zei Anna als we het er over hadden. Dat is natuurlijk waar, maar zo voelt het niet. Niet elke dag in elk geval. Meer op het abstract niveau dat in het leven van alle dag meestal buiten beeld blijft. Als ik nu in een winkelcentrum een paar zie, waarvan de een de rolstoel duwt of op een andere manier een duidelijk al lang niet meer gezonde partner begeleidt, denk ik aan de keuze waar die begeleider elke dag voor staat. Hij had ook andere dingen kunnen doen met deze dag, met zijn leven. Welke verwachtingen heeft hij doorgestreept? Wat deed hem deze keuze maken, of maakte hij helemaal geen keuze? Duwde de situatie alle andere keuzes weg? Begrijpende of dankbare woorden van de zieke veranderen daar weinig aan. Haar wens dat jij ook goed voor jezelf zorgt, raakt veel minder diep dan hulpeloos moeten toezien op het leed waar die ander elke dag middenin zit.

De innerlijke strijd om te leven met haar ziekte, te werken aan de relatie en tegelijkertijd mijn eigen leven vorm te geven, heb ik verloren. Het probleem ging niet weg. Zorg nam de plek in van gevoel. Uiteindelijk heb ik gekozen voor mijzelf. Dat is niets om trots op te zijn. Sommige mensen in mijn omgeving noemen het een moedig besluit. Maar ik geloof niet dat het over moed gaat. Tolstoi noemt moed ’de keuze uit plichtsbesef het gevaar te trotseren’. Daar horen traditonele argumenten als een zucht naar heldendom, bewondering, of angst voor maatschappelijke afwijzing dus niet bij. En het verlangen naar een eigen leven ook niet.

Nu, een half jaar later, probeer ik mijn leven opnieuw vorm te geven. Dat gaat goed, hoewel het verleden me nu en dan nadrukkelijk op de schouder tikt. Ieder moet het natuurlijk doen zoals het hem past, maar ik raad u aan, mocht u in een situatie belanden zoals in Warteraum 2, vooral ook goed op uw éigen leven te letten. Ook dat komt maar één keer voorbij.

Lees verder / reageer