Doe mij maar een boek

Noordhoff deed onlangs een onderzoek onder 40.000 docenten en studenten. Voor het geval u dat niet weet: Noordhoff is een grote uitgever van voornamelijk studieboeken. Ze maakten zich zorgeAfbeelding Columnsn over de toekomst. Zat er nog wel voldoende handel in het gedrukte (studie)boek, of zou het beter zijn de koers te verleggen en alle energie op een bussinessmodel voor digitale bronnen te richten.

Lang leve het internet zogezegd, de toekomst zou immers aan de ipad-student zijn. En wat denkt u? Niet dus. 80% van de respondenten verkoos het boek. Studenten dus! Jonge mensen kiezen voor het boek! Papier! Zo’n rechthoekig ding met bladzijden, inhoudsopgave en een kaft.

Werd ons onlangs niet voorspeld dat het papieren boek ten grave zou worden gedragen? Dat het op een school al helemaal een dinosaurus was en spoedig vervangen zou zijn door laptops, tablets en groot uitgevallen mobieltjes?

Begrijp me niet verkeerd, ik ben zelf een grootverbruiker van alles met een beeldscherm, touchscreen en handige appjes. Zo vind ik het bijvoorbeeld raar dat de mac mijn agenda niet automatisch aan het navi-systeem van de auto koppelt of een reisadvies voor de trein. Dat als ik instap de auto vraagt: ’Klopt het dat we naar Utrecht gaan?’. Thuis wint vaak nog het papieren boek maar als ik op reis ga neem ik altijd een berg boeken mee, maar wel op de e-reader. Ik ben dus niet bang voor nieuwigheden, sterker nog, ik lust er wel pap van.

Maar daarmee ervaar ik het lezen of studeren in een papieren boek nog niet als hetzelfde als lezen van een beeldscherm. Met die rare gedachtensprong zijn we midden in de sloot beland. Ervaren lezers hadden al zo hun vermoedens. Zo als je ook geen onderzoek nodig hebt om te weten dat de meeste spijkerbroeken blauw zijn. Inmiddels is er een onderzoek wat dat anders-lezen-vermoeden min of meer bewijst. De Noorse onderzoekster Anne Mangen toonde aan dat lezers van een  verhaal op een e-reader na afloop meer moeite hebben om de inhoud te reconstrueren dan lezers van het papier. De oorzaak zou zijn dat het scherm meer uitnodigt tot scannend lezen en dat het fysieke boek de lezer meer structuur in zijn lezen biedt. Je weet beter waar je bent en waar je naar toe gaat. Dat zou vooral helpen bij begrijpend lezen. Het is nog maar beginnend onderzoek met kleine groepen, maar de uitkomst is voorlopig zorgelijk genoeg om niet te hard van stapel te lopen met de ipad als voornaamste bron in school. Een goede kennis leurt al een poosje met een promotie-onderzoek naar de effectiviteit van lezen van een beeldscherm versus papier bij verschillende universiteiten, maar krijgt vooralsnog overal nul op rekest. Dat is onbegrijpelijk. In de tussentijd gaat het digitaliseren van toetsen en examens gewoon door.  Dan ben je wellicht al niet zo goed in begrijpend lezen en dan moet het op het beslissende moment ook nog van een beeldscherm.

Inmiddels is de ipad-school al weer gestrand. Gelukkig maar. Wie daarmee denkt het ei van columbus gevonden te hebben weet weinig van leren. Alle leerlingen een ipad? Mij best. Je kunt er ontzettend nuttige dingen mee in een klas. Maar begrijpend lezen hoort daar dus niet bij. Het is niet het nieuwe schoolboek.

Het kost mij niet veel moeite de resultaten van mevrouw Mangen ook van toepassing te verklaren op de wat complexere roman. In Oorlog en vrede blader ik ook graag terug. Mangen deed haar onderzoek notabene met teksten van Elisabeth George. Krimi’s dus. Als daar het effect al merkbaar is, blijven Proust en Tolstoi wel echte boeken denk ik.

Met leeslintje graag.

Lees verder / reageer

Weg met de aanbesteding

Gaat u aanbesteden of zit u er net een in te vullen? Het is de nieuwe manier van werken. Van alles wat je bedacht hebt één grote klus maken en er dan een aanbesteding op los laten. Een Europese aanbesteding wel te verstaan. Voor wie daar niet mee bekend is; dat is een onvoorstelbare berg papier waarmee men meent een objectieve, Afbeelding Typemachineeerlijke procedure te volgen bij het gunnen van werk opdat je het beste werk krijgt voor de laagste prijs. Die berg papier is tegenwoordig weliswaar digitaal, je mag pagina na pagina je gedachten invullen en de vinkjes zetten, maar het blijft een onmogelijke hoeveelheid werk. Belangrijke vraag is natuurlijk wordt het er beter van? Krijgt de beste partij inderdaad het werk en betalen we niet teveel. Want dat is wat we willen: goed werk en niet duurder dan nodig. Heeft de wereld van aanbesteding ons dat gebracht?

Nee. Integendeel.

Waarom dan niet, het lijkt allemaal toch zo simpel. Nu kan ik hier ook simpelweg verwijzen. Zoiets van; zie de Fyra, de Noord-Zuidlijn, vliegveld Berlijn, de metro van Keulen of dat enorme veranderingstraject op die grote onderwijsinstelling recht onder onze neus. Vijf verschillende, op zich prachtige aanbestedingen, helemaal volgens de regels van het spel die uitliepen op een totale mislukking, eindeloze vertraging of enorme meerprijs. Als niet op alle drie. Neem nu die metro in Keulen. Die is dan uiteindelijk wel af maar rijdt nog steeds stapvoets onder de beroemde Dom, omdat die anders vervaarlijk gaat trillen. Het het historisch Stadsarchief stortte tijdens de bouw in, en moet tegen enorme kosten herbouwd worden. Weer een bouwput voor X jaren. Dat zat allemaal niet in de aanbesteding denk ik. Het veranderingstraject bij die onderwijsinstelling werd tegen een zeer scherpe prijs gegund, maar liep al na korte tijd krakend vast en kon slechts met het nodige interne sjachrijn en veel tijdinvestering van de instelling zelf – en dus extra geld, maar ja, dat rekenen we niet uit, min of meer over de eindstreep worden geduwd. Weg scherpe prijs. En het zou zo’n leuk en effectief veranderingstraject worden. Hoeveel voorbeelden heeft u nodig?

Niet aanbesteden dus. En als bureau niet aan mee doen. Al helemaal niet als het mensenwerk is. De grote concurrenten gaan er vanzelf van op de fles. Aanbesteden tegen een scherpe prijs betekent immers dat je meent het proces volledig te overzien. Dat is een mythe, er verandert altijd wat. En als je dat niet wilt zien, is dat pure minachting van het proces. Tussentijdse veranderingen zijn kostbaar. Maar dat kan niet in de aanbesteding zitten, want dan ben je te duur. Voor wat als posten is geen ruimte. Een scherpe prijs en een zonnige horizon, dat wil men lezen. Ben je meer met voeten op de grond dan krijgt die ander het. Die kan het immers goedkoper?Wellicht, als alles loopt zoals gepland. Niet dus. Papieren dromen.

Is er een remedie? Jazeker, en helemaal niet zo ingewikkeld. Knip dat grote droomtraject op in een serie van kleine, behapbare projecten. Gun die aan mensen of bedrijven waarvan jij overtuigd bent dat die kwaliteit kunnen en willen leveren, ook omdat jij ze niet het vel over de neus haalt. Hoe meer papier ze daar voor nodig hebben, des te wantrouwiger je moet worden. Kleine projecten zijn sneller af. Dat is zoveel prettiger voor de organisatie. Vier elk (tussen) resultaat uitbundig, en kijk opnieuw kritisch naar wat de volgende stap vraagt. Benoem desnoods een interne of externe projectleider die de onderlinge afstemming bewaakt en het grote doel in de gaten houdt. Het resultaat zal beter zijn, en uiteindelijk ook goedkoper. Mislukkingen blijven kleinschalig, en u blijft de baas in huis.

En voor de inschrijvers? Doe er niet aan mee. Mik op die leuke, kleine, behapbare projecten, met een sterke band tussen aanbieder en klant. Als het niet op een A4tje kan, wordt het toch niks. Weg met die grote aanbestedingen.

Lees verder / reageer

Met Machiavelli naar school (afl. 11) Bemind of gevreesd?

Gevreesd worden maar niet gehaat. Dat zou de kunst zijn van het leidinggeven, zegt Machiavelli. Gevreesd? Moeten we dan niet aardig zijn voor onze medewerkers, onze leerlingen, collega’s of klanten? Voor iedereen eigenlijk? 

De zucht naar de sympathie kent vele gezichten. Van de eeuwigdurende betekenisloze glimlach van de televisiepresentator, tot het hinderlijk aankleven bij de roem. André Heim noemt het één van de mermachiavellikwaardigste ervaringen na zijn Nobelprijs: iedereen lijkt hem ineens aardig te vinden. Als je wint, heb je vrienden zong Henny Vrienten. Aardig gevonden willen worden. Ouders die hun kind 24-7 in de watten leggen en tot een ontevreden misbaksel zien opgroeien. Omdat het nooit een ferm ‘nee’ hoorde. In de smaak vallen, daar gaat het om. Van achter elke balie wordt je vriendelijk toegelachen. Glimlachen als beroep.

Aardig gevonden willen worden is met afstand de grootste valkuil voor elke leidinggevende. Op de werkvloer heeft het vele gezichten. Vriendelijk willen blijven terwijl die ander dat al lang niet meer is, een redelijke reactie op een onredelijke vraag, eindeloos willen uitleggen dat je het zo niet bedoeld hebt, het slechte nieuws brengen met de nog slechtere openingszin: ‘het is niet persoonlijk bedoeld, maar…’.  Vrijgevig zijn met voorrechten, of de aanhankelijkheid letterlijk kopen met buitensporige cadeaus, elk conflict willen sussen; de mantel der liefde immer voor het grijpen in de achterzak. Het zijn allemaal uitvloeisels van de behoefte aardig gevonden te willen worden, met als absoluut dieptepunt de popie-jopie-manager die bij de koffie met afgezaagde platte grappen de stemming erin probeert te houden.

Het is niet bijzonder en al helemaal geen afwijking als je  aardig gevonden wilt worden. Het appelleert  aan het elders in deze serie genoemde gevoel erbij te willen horen. En aardig zijn lijkt ook zo effectief. Facebook, twitter en hyve’s geven de illusie van duizenden vrienden en het idee dat iedereen je graag mag. Een zee van Illusoire vriendschappen met de diepgang van een pierenbadje. Mensen met een op het oog vriendelijke uitstraling krijgen meer gedaan, worden eerder aangenomen voor die baan en maken sneller promotie. Maar die sympathieke uitstraling -het handelskenmerk van de op het oog succesvolle quizmaster, verkoper, leerkracht of directeur- is ook het favoriete gereedschap van de meesteroplichter: inpakken en wegwezen, maar dan anders. Charmant en glad zijn maar één stap van elkaar verwijderd. Aardig zijn is in vele gevallen niet meer dan de buitenste verflaag. Naar wat eronder zit kun je slechts raden.

Aardig gevonden willen worden is het voor iedereen bereikbare zusje van de zucht naar bewondering. Machiavelli doorzag met zijn uitspraak het probleem haarscherp. Bemind of gevreesd worden, het lijkt een gemakkelijke keus. De eerste intuïtieve reactie is, dat je natuurlijk niet wil dat mensen bang voor je zijn. Gevreesd worden roept het beeld op van een schrikbewind, een tiran met wrede meedogenloosheid. Als we ergens bang voor zijn, gaan we dat ontwijken, proberen we de confrontatie ermee te vermijden, dus een leider die gevreesd wordt gaat men uit de weg. Dat is meestal niet wat we willen. Als leidinggevende doorlopend  aardig gevonden willen worden leidt weliswaar tot verloedering van de organisatie, chaos in de klas, of een school zonder stuur, maar als je medewerkers of je leerlingen je gaan ontlopen, ben je minstens even ver van huis. Machiavelli beaamt dat ronduit: het is moeilijk kiezen tussen deze twee.

Vooral nieuwe leidinggevenden, nog maar net de rangen der collega’s ontsprongen, vinden het moeilijk. Het is ook een lastige overgang, van populaire collega naar beginnend baasje. De overstap leidt bij velen aanvankelijk tot een emotionele spagaat. Enerzijds heeft men behoefte aan erkenning in de nieuwe rol, maar afscheid nemen van de oude vrienden valt ook zwaar. Het leidt niet zelden tot een merkwaardig soort pendeldiplomatie tussen de oude en nieuwe loyaliteit om toch maar vooral door beiden geaccepteerd te worden; de confrontatie aan gaan valt hen aan beide zijden zwaar. Net zo lastig is het voor de beginnend docent in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Je bent die rangen zelf naar je gevoel nog maar net ontgroeid en deelt nog veel van de interesses van je leerlingen. Je denkt dat je er nog bij hoort zolang ze je aardig vinden. Boos op hen worden is nog geen onderdeel van je leiderschap maar een emotionele uitbarsting. Het overkomt je, in plaats van dat je het hen laat overkomen. Je wilt immers bemind worden, niet gevreesd.

Ligt de waarheid dan in het midden? In de rechte lijn van het kleurloos compromis? Nee, niet in het midden. Saaie, slaapverwekkende leidinggevenden hebben we ook niet nodig. De rechte weg is de slingerweg tussen twee uitersten. Ook een slingerweg kan uiteindelijk rechtdoor gaan. Niet bemind of gevreesd, maar bemind én gevreesd. Tegenwoordig heet dat ‘situationeel leiderschap’: je gedrag laten passen bij de omstandigheden. Zoals een kind meer leert van de boosheid of het verdriet van de ouders, dan van het verstandig gesprek; zo leert de medewerker meer van de zichtbare woede van zijn teamleider over het vermeende wangedrag. Anders gezegd, ter plekke op niet mis te verstane toon zeggen dat je er van baalt, dat iemand altijd net even iets vroeger dan toegestaan weggaat, is vele malen effectiever dan het weken later in keurige bewoordingen melden in een functioneringsgesprek. Men zal je op dat moment wellicht intimiderend vinden, en dat klopt. Dat is de bedoeling ook. Het bericht moet wel aankomen. Boosheid, verontwaardigd zijn, flink uitvallen; het mag, zolang het maar op het goede moment is of, zoals Aristoteles zei: boos worden is niet zo moeilijk, dat kan iedereen; maar om de juistereden, op de juiste persoon, in de juiste mate, op het juiste moment, ‘dat is de kunst’. Als je om die kunst zo nu en dan gevreesd wordt, is er niets aan de hand. Sterker nog, dan is het je gelukt een belangrijk aspect van goed leidinggeven aan je repertoire toe te voegen. Zeker als het je ook nog lukt, je er de volgende ochtend niet slecht over te voelen.

Anders wordt het, als je voortdurend gevreesd wordt. Als mensen alleen maar gehoorzamen, omdat ze bang voor je zijn. Voortdurend gevreesd worden leidt tot haat. Dan ben je niet boos, maar boosaardig. Dat is voor geen enkele leidinggevende effectief.

 

Machiavelli zegt dat het moeilijk kiezen is tussen die twee: bemind of gevreesd. Haat mag het in elk geval niet worden. Maar Machiavelli zegt ook dat als het erop aan komt, als er wezenlijke zaken op het spel staan, je maar beter ook gevreesd kunt worden. Angst zit misschien nog wel dieper dan liefde.

Bemind of gevreesd? Als het er om spant dan wellicht toch maar de laatste?

 

Lees verder / reageer

Griet

Vlak voor mijn Afbeelding Columnsvakantie, trof ik in een Volkskrant bijlage een stukje van Griet op de Beek. Eerlijk gezegd ben ik vergeten waarover het ging. Het had me niet getroffen. Niet met de inhoud en niet met de schrijfstijl. Exit Griet.

Tijdens de vakantie schonk iemand mij haar laatste roman. ’Kom hier dat ik u kus’. Met de aanbeveling dat het honderd procent zeker een prachtig boek was. Dat zou ik ook vinden, zeker weten.

Zo’n aanbeveling sla ik niet in de wind. Soms levert me dat een probleem op. Dan begin ik met de aanbeveling in mijn oren met goede moed aan de 500 pagina’s of meer. En een boek eenmaal begonnen leg ik niet snel weg. Ja, ik weet het, ik ben soms te streng voor mijzelf, maar wat je begint, maak je af. Dat leidt nog wel eens tot lezen als martelgang. Terwijl andere prachtige titels al liggen te smachten, moet ik eerst nog dwangmatig 300 niet boeiende bladzijden door.

Enfin, zo niet bij Griet.

Wat een prachtig boek. De eenzaamheid dampt van de bladzijden af zonder dat het woord genoemd wordt. Misschien had het einde iets minder gekund, ik geloof ook zo wel dat die Louis een zak was, maar verder alleen maar lof. Ik heb het in kleine partjes gelezen. Omdat het zo jammer zou zijn als ik het snel uit had en ik het ook goed, met veel aandacht voor de prachtige taal, door wilde laten dringen. Zo’n boek dus.

Terug in NL trof ik opnieuw een stukje van haar in de Volkskrant bijlage. Over dat we vergeten om elkaar de grote vragen te stellen. Überhaupt vragen te stellen geloof ik. Echte vragen dan. Niks mis met de inhoud en in vorm iets tussen een column en essay. Maar hoe anders dan haar boek. Nu hoor ik u zeggen dat een stukje in de krant ook heel iets anders is dan een roman – ja, dat is waar – maar wat nu als je de taal in dat boek zo veel mooier vindt. Taal die hetzelfde wil zeggen, niet door het uit te leggen maar door het je te laten voelen. Geef mij dat laatste maar. Griet had wat mij betreft beter een bladzijde van haar boek af kunnen drukken. In die woorden voel je direct en haarscherp dat, waarvan ze je met haar stukje probeert te overtuigen. En het komt dubbel zo hard aan. Wat er met een mens gebeurt als die nooit de kans krijgt op een werkelijk gesprek. Of zich die kans niet durft te geven.

Kortom, laat haar maar boeken schrijven, en houd haar niet met zulke beuzelarijen van haar werk. Ik zal mij binnenkort aan haar eerste roman wagen. Misschien is het zowiezo beter om boeken te lezen in plaats van kranten.

Lees verder / reageer