Beste Meneer Koch…

’Omdat ik echt het idee heb dat die mensen niet hun best deden. Dat is een verschijnsel dat gewoon bij die beroepsgroep hoort (…) De meerderheid was toch gewoon, ja, lui.’ Einde citaat.

Herman Koch over leraren in een interview in het Volkskrant Magazine van zaterdag 11 januari. En vervolgens spuugt hij er nog een paar snelle oordelen achteraan. Hoe serveer ik een hele beroepsgroep af op basis van mijn eigen, beperkte waarneming. Koch zet zichzelf daarmee tussen de roepers langs de lijn. Alsof we nog niet genoeg talkshow gasten hebben die leven van ’ik denk en ik vind’ zonder enige verdere fundering van hun standpunt. De eigen ervaring als het hoogste goed. Zoals heel Nederland verstand van voetbal heeft en alles mag roepen over de bondscoach, zo ben je blijkbaar onderwijsdeskundige als je op school gezeten hebt. Natuurlijk zou ik er niet boos over moeten worden, maar op de een of andere manier gebeurt dat wel. Blijkbaar vind ik nog steeds dat ik bij die groep hoor. Natuurlijk weet ik ook wel dat er veel niet goed gaat in het onderwijs en dat het heel vaak beter kan en moet. Ik zit nog met regelmaat bij allerlei lessen. Maar zo’n losse flodder meneer Koch! Dan maak ik me toch even breed en ga ik er vóór staan: van mijn maatjes moeten ze afblijven. Die laat ik niet allemaal over één kam scheren. Daar gaan we: Beste meneer Koch…

Heeft u ooit de moeite genomen om achter uw bureau vandaan te komen en verder te kijken dan uw schrijversneus lang is? Of heeft u de eigen, zeer persoonlijke indrukken zonder enig verder onderzoek voor vaststaand en algemeen geldend aangenomen? In uw verhaal ontbreekt elke relativering van de eigen waarneming of poging die in een wat breder perspectief te plaatsen. Er is niks mis met persoonlijke ervaringen. Die mogen benoemd. Maar zo, als een algemene waarheid verwoord, lijkt het sterk op wat ressentiment heet: de eigen slechte ervaringen tot leidraad maken. Wat meer terughoudenheid had u gesierd. U schaart zich met deze reactie onder de types die zich als ’universeel deskundigen’ beschouwen. Mensen die met een of andere activiteit bekendheid hebben verworven en zich daarmee het recht toe eigenen met het nodige aplomb hun blik  over van alles en nog wat te laten schijnen. Alsof die uitspraken louter en alleen door hun bekendheid extra waarde zouden krijgen. De talkshow als kennis fabriek. Uw nieuwe roman noemt u sterk autobiografisch. Autobiografisch in de zin van zoals u het zich herinnert, begrijp ik. Maar maken we niet allemaal uiteindelijk ons eigen verhaal, los van wat er werkelijk gebeurd is? Een verhaal waarmee we kunnen leven?

Het geheugen is een heel onbetrouwbaar, of misschien beter, subjectief orgaan. Wellicht is het een goede idee u eens in het werk van de twee cognitief psychologen Hofstadter en Sanders te verdiepen. Die leggen in hun boek ’Analogie, de kern van ons denken’ met heel heldere voorbeelden uit hoe we in ons hoofd, ongemerkt, voortdurend zoekt naar de bevestiging van eerder opgedane indrukken. We zijn niet zo nieuwsgierig als we denken. Hooguit naar het eigen gelijk. Bas Heijne omschreef dat laatst mooi in het NRC: ’beleving komt voor de feiten, het geloof in een waarheid die buiten onze perceptie staat, neemt af’.

In uw boeken speelt moraal met regelmaat een belangrijke rol. De moraal die ik van u als min of meer bekende Nederlander verwacht, is u te onthouden van dit type algemene, veroordelende uitspraken, zonder enige voorafgaande moeite u breder te informeren dan het eigen, subjectieve gelijk. Dan zal ik u ook niet scharen bij die groep van bekende Nederlanders die zich zonodig over de rug van anderen moeten profileren. Fouten maken mag, zolang je er geen gewoonte van maakt. 

Blijf dicht bij waar u goed in bent. Schrijf een mooi boek over uw schoolverleden. Dat kunt u vast. Veel leraren zullen het lezen en denken: gaat dit boek over mij?

Vriendelijk groetend

Simon Ettekoven 

Lees verder / reageer

Geef jezelf tijd!

Waar zal ik het nieuwe jaar eens mee beginnen? Als je over onderwijs schrijft zit je niet om thema’s verlegen. De vorige column ging over het lerarentekort en was nog niet gepubliceerd of de teruggelopen leesvaardigheid van onze pubers vulde de kranten. Een dag later was er het nieuwe curriculum. Maar liefst 30% minder verplichte lesstof! Eindelijk!, dacht ik; ruimte! Ik liep nog over dit kerstcadeautje na te denken toen mijn hoofd al weer werd opgeschud door een pagina met maar liefst vier essays over het beroemde of beruchte artikel 23; de vrijheid van ons onderwijs. Vind ik daar ook wat van? En weer een dag later pleit een politiek commentator voor een parlementaire enquête over al het onderwijs gedoe de afgelopen tien jaar. Het rolt maar over elkaar heen. Als je nog over het ene loopt na te denken, staat het volgende al weer voor de deur. Geen wonder dat we meer problemen hebben dan oplossingen. Je gedachten over een vraagstuk een beetje zorgvuldig ordenen zit er op deze manier niet in. Veel meer dan elkaar met algemeenheden om de oren slaan komt er niet van. Eén tegelijk dus!

De voorstellen voor dat nieuwe curriculum komen wat mij betreft als geroepen. Minder zou wel eens meer kunnen zijn. Tijd maken voor wat je echt belangrijk vindt. Dat lijkt me een goed plan. Maar de inkt was zogezegd nog niet droog, of iedereen wist al weer hoe we die vrij gekomen tijd zouden moeten vullen. Extra rekenen en taal, klimaat kennis, meer bewegen. Allemaal heel nuttig, maar mijn dringende suggestie is: doe eerst eens  helemaal niks! Gewoon, eerst 30% minder. Niks commissies of werkgroepen in en om scholen die moeten nadenken over zinvolle invullingen. Laat de ruimte eerst maar eens zijn werk doen. Geef leraren eindelijk de tijd om de dingen goed te doen. Er wordt, en terecht, steen en been geklaagd over teveel oppervlakkigheid van leren in school. Dat krijg je, als je het curriculum tjokvol stapelt. Veel verder dan onthouden, wat oefenen en een beetje begrijpen komt het met leren dan niet. Het ontbreekt veel leraren aan de tijd om met leerlingen rond belangrijke onderwerpen aan de ontwikkeling van diepere en betekenisvolle kennis te werken. Voor echte denkvragen is tijd nog ruimte. 

In de commentaren die rond zoemden, dook als vanzelfsprekend ook direct  het ’controle spook’ op. ’Als we dan maar wel genoeg zicht houden op wàt die leerkracht met die tijd gaat doen’ tetterde de radio. Als die leerkracht meer vrijheid krijgt, moeten we blijkbaar wel met z’n allen kunnen controleren wat hij daarmee doet. Ik zie het lijk al drijven. Nieuwe instrumenten bij de onderwijsinspectie om precies te kunnen monitoren of de tijd wel effectief besteed is, leerkrachten die meer energie kwijt zijn aan verantwoorden dan aan onderwijzen. Moeten kamerleden ook een spreadsheet bijhouden over wat ze precies doen? Of burgemeesters? En de directeur van de spoorwegen? Daar gaat toch ook regelmatig wat mis. Straks moeten leerkrachten weer systemen gaan invullen met wat hij precies met wie, hoevaak en waarom gedaan heeft. Met de alom aanwezige roep om transparantie als argument. Dat wordt flauwekul schrijverij, georganiseerd wantrouwen. Een goed opgeleide leerkracht weet hoe zij of hij de tijd met leerlingen nuttig besteedt en haalt verlicht adem als daar eindelijk ook de ruimte voor is. Ik denk dat leerkrachten blij worden als ze eindelijk met voldoende tijd en aandacht hun werk kunnen doen. Laat ze met maar eens even met rust, zou ik zeggen. Goede scholen hebben meer dan voldoende gedeelde verantwoordelijkheid om er met elkaar op te letten dat er geen onzinnige dingen gebeuren. En anders is er altijd nog een directeur als eind verantwoordelijke die je kunt aanspreken. Onderwijskundig leiderschap heet dat. 

Ik vind het wel een mooi begin van het nieuwe jaar: meer tijd voor de dingen die we goed willen doen. 

Lees verder / reageer