Gepersonaliseerd leren?

Het schijnt dat hele schoolbesturen zich tot deze ’innovatie’ bekeerd hebben en het voortvarend en soms zelfs top down aan het invoeren zijn. Dat stemt mij afwisselend boos en verdrietig. Het is niet moeilijk dit denken een in cynisme gedrenkte draai om de oren te geven, maar laat ik het eerst nog eens goed onder loep nemen. De argumenten vóór zijn in middels op verschillende plekken breed toegelicht. Het zou een antwoord zijn op de vraag beter om te gaan met verschillen tussen leerlingen of studenten, het sluit aan op de technologie van de toekomst, maakt leerlingen daar vertrouwd mee en het helpt bij het groeiend tekort aan leerkrachten. Voor alle drie valt wel iets te zeggen. Maar ze trekken mij niet over streep.

Er is een veelheid argumenten die ervoor pleiten om tenminste uiterst kritisch naar deze ’trend’ te kijken. Sociaal-maatschappelijk argumenten, argumenten op basis van breed geaccepteerde leertheorie en argumenten vanuit kennis van hersenwerking en leren. De volgorde is willekeurig, naar mijn mening snijden ze alle allemaal hout. Kiest u zelf maar welke u het belangrijkst vindt.

Waar hebben we het over? Bij gepersonaliseerd leren krijgt iedere leerling of student zijn eigen programma op de laptop of tablet. Het programma met informatie en opdrachten kan vaak op allerlei niveaus starten, kies maar en vervolgens worden leerlingen op basis van hun antwoorden gevoed met nieuwe vragen of opdrachten. Ooit had je daar een stapel werkboekjes voor. Geprogrammeerde instructie heette dat. De moderne middelen hebben het allemaal een stuk gelikter gemaakt. Weinig tekstmateriaal, veel beelden, filmpjes, fragmenten, stukken docu, net echt situaties… Goed in elkaar gezet, dat houdt de aandacht wel vast. En je kan blind de weg vinden. Natuurlijk is er regelmatig een beloning om het leren gaande te houden en mocht je helemaal vastlopen is daar altijd nog een docent. Toetsje er achteraan en klaar is kees. Dat klinkt toch prima? Waarom moeten we dat willen. Niet als trend, niet als hoopvol idee en al helemaal niet als reddende engel tegen het leraren tekort? De argumenten op een rij.

Eerst maar een belangrijk maatschappelijk argument.  Je hoeft geen doemdenker te zijn om te constateren dat de sociale scheiding tussen wit en zwart, arm en rijk, hoofddoekjes en tsunami-denkers, werken en niet werken – hoeveel moet ik er nog noemen – sterker en sterker wordt. Eén van de functies van onderwijs is wat ik hier maar even kortweg ’socialiseren’ noem. Individuen, tegenwoordig niet zelden prinsjes en prinsessen met een van thuis uit gestuurd auto-focus, zich helpen ontwikkelen tot mensen die leren dat er meer op de wereld is dan zij alleen, dat er zoiets bestaat als sociale samenhang; dat er leeftijdgenoten zijn die je buiten school nooit tegenkomt, dat die op het eerste gezicht misschien helemaal anders zijn, maar even later toch bijna hetzelfde blijken. Gepersonaliseerd leren is voor het overgrote deel geïndividualiseerd leren. Het isoleert jonge mensen van elkaar precies daar waar ze nog een kans hebben elkaar werkelijk te leren kennen. Gordon Allport schreef er in de vijftiger jaren van de vorige eeuw al een goed onderbouwd boek over: the Nature of Prejudice; waar onze vooroordelen vandaan komen. De kortste samenvatting en moraal van zijn verhaal? Onbekend maakt onbemind! Gepersonaliseerd leren versterkt precies dat en laat een belangrijke functie van onderwijs links liggen, eentje die je niet uit een boekje kunt halen. Als het om stukjes geïndividualiseerd leren gaat binnen een breed en gevarieerd programma? Prima, maar als het de hoofdmoot wordt gooien we een belangrijke functie van leren en onderwijzen weg.

School is er om te leren. Leerlingen hebben met behulp van moderne media de mogelijkheid in korte tijd heel veel informatie te verzamelen. In fracties van een seconde meer dan in welk boek ook past. Maar dan hebben we het over kennis verzámelen. Dat is iets anders dan leren. Het is het allereerste stapje daarvan om precies te zijn: informatie bij elkaar harken. Daarom noemen we het in die fase ook informatie en nog geen kennis. De laptop, tablet of telefoon kan in de volgende stap van leren, kennis vasthouden, zeker ook helpen. Er zijn heel effectieve appjes die op een creatieve manier helpen bij het stampen woordjes, tafels enz.

De computer is gebouwd als goed-fout machine. Het is geen snelle denker, maar een snelle rekenaar. Nullen of éénen, geen misschien of een beetje. Daarom schaken ze ook zo goed. Dat geeft de levensgrote valkuil dat bij geautomatiseerde lesprogramma’s vooral het lagere orde denken aangesproken wordt: kennis verzamelen, onthouden en wellicht in enige mate begrijpen. Eenduidige stappenplannen lukken ook nog wel. Begrijpen, één stapje verder, is grof gezegd het in eigen woorden uit kunnen leggen. Een computerprogramma loopt daar gezien de creatieve kronkels van onze jeugd, snel vast in zijn goed-fout denken. Achter een antwoord zoeken zit er voor de computer niet in. Hersenen zijn oneindig veel creatiever en vindingrijker. Leren is geen vast omlijnd proces. En als we nog een stapje verder gaan? Denken op conceptueel niveau, samenhang zien of ’wat als’ vragen beantwoorden? Met het grootschalig invoeren van gepersonaliseerd leren zal het werkelijke denken, het zo broodnodige hogere orde denken en leren, nog spaarzamer worden in leslokalen dan het nu al is. Daar waar ik het tot nu toe gezien hebt waren (te) oppervlakkig leerresultaten ook aan de orde van de dag.

Daarmee zijn we bij nog een belangrijk misverstand aangeland. Dat het zonder kan. De vragende blik van de docent schudt ander denken wakker dan de gerichte vragen uit een boek of programma. Een min of meer open vraag gevolgd door gericht doorvragen is mensenwerk. Een goede docent ‘ruikt’ wanneer hij dichtbij moet zijn of iets doen moet. Bij goed feedback geven hoort eerst goed kijken. De docent ‘ziet’ wanneer het tijd is even iets anders te doen of dat hij nu even heel andere vragen moet gaan stellen. Voor doorvragen moet je eerst geluisterd hebben. Daarvoor moet je dichtbij zijn en aandacht. De docent is is onmisbaar in het leerproces. Sterk gepersonaliseerde leerprogramma’s hebben als valkuil dat van de docent ‘slechts’ een rol als veredelde toezichthoeder verwacht wordt. Maar juist de docent brengt het persoonlijke in, niet het systeem. Het zal niet lang duren of goedkopere, lager gekwalificeerde medewerkers gaan de docent taak overnemen. De kans op echt denken in de les is dan voor goed vervlogen. 

Een handvol argumenten om nog eens goed na te denken voordat we massaal en halsoverkop het zogenaamde gepersonaliseerd leren in gaan voeren. Goed samengestelde leerprogramma’s kunnen zeker regelmatig maatwerk leveren bij het leren. Maar het blijven hulpmiddelen. Net als de boeken, werkbladen en geprogrammeerde instructies van toen.

Lees verder / reageer

Het M woord

Ineens was het er weer. Het verboden ‘M’ woord. Paul Rosemuller meldde op radio 1 namens de VO-raad dat het goed zou zijn als er een driejarig heterogene onderbouw in het VO zou komen. Hij was nog niet uitgesproken of onderwijs columnist en beroeps cynicus Ton van Haperen toeterde het woord ’Middenschool’ er tussendoor. ‘Dat mislukte experiment uit de vorige eeuw’ of woorden van die strekking. Daar gaan we weer, dacht ik. Noem bij een onderwijsvernieuwing het woord middenschool en iedereen holt de kamer uit. Framen heet dat tegenwoordig. Maar eerlijk is eerlijk, het idee voor een driejarig heterogene onderbouw in het VO vertoont veel overeenkomsten met wat ooit ’Het middenschool experiment’ heette. 

Inmiddels is het meeste stof al weer neergedaald en lijkt dit plan dezelfde weg op te gaan als al die andere, bijna wekelijkse hete hangijzers over onderwijs: leesvaardigheid, artikel 23, het Haga vraagstuk, een nieuw curriculum: als je maar lang genoeg stil zit, waait het wel over. 

Van mij mogen ze het best de terugkeer van de Middenschool noemen. Graag zelfs. Het is niet een alleen maar mislukt experiment uit de vorige eeuw. Tot op vandaag zijn er scholen die heel effectief met een heterogene onderbouw werken. Dat is ook de opbrengst van het experiment toen. De landelijke invoer is er niet van gekomen, zoveel is juist, maar misschien is dat maar goed ook. In één van de evaluatie onderzoeken werd indertijd met zoveel woorden geschreven dat onderwijs aan breed heterogene groepen prima kon als, en dan komt het, de docent dat wilde en kon. Daar zat en zit de crux. Dingen moeten doen die je niet wilt of niet kunt – kiest u zelf de volgorde maar – worden hoog zelden een succes.

Eén van de makkes van de middenschool plannen toen was dat het in de eerste plaats verdedigd werd vanuit allerlei sociaal maatschappelijke opvattingen. Bij de start was geen sprake van een ook maar enigszins uitgewerkt onderwijskundig concept, laat staan de praktische invulling daarvan. Dat werk moesten de scholen allemaal zelf doen. Er was weliswaar ondersteuning vanuit allerlei bureaus, maar die wisten op dat moment weinig meer dan wat een goede, creatieve docent zelf kon bedenken. Bezint terwijl je begint was zo’n beetje de innovatie strategie, wat overigens helemaal geen slechte manier van werken bleek. Het gevolg van die start was wel dat binnen veel scholen meer politieke discussies over de plannen plaatsvonden, dan onderwijskundige zoektochten. 

Maar er was ook succes. Verschillende van de deelnemende scholen vonden met veel vallen en opstaan uiteindelijke voortreffelijke oplossingen voor de vele onderwijskundige vraagstukken op didactisch en pedagogisch gebied die ze moesten tackelen, wil er in een zo heterogene klas door iedereen effectief geleerd worden. Daarmee groeide er in die scholen ook een generatie docenten die voortdurend aan hun repertoire werkten om in die complexe situatie de goede werkwijze te vinden. Velen vonden voortreffelijke antwoorden en wilden niet meer terug naar de oude, schijnbaar homogene situatie. Die generatie is nu aan het pensioneren. Hun goede ervaringen uit het middenschool experiment van toen zijn nooit breed geoogst en al helemaal niet vertaald naar goede onderwijspraktijk voor iedereen. Het wordt onterecht nog steeds als een mislukt experiment gezien terwijl er ook heel veel winst is geboekt, zij het ‘slechts’ op schoolniveau.

Tegelijkertijd is er de afgelopen twintig jaar veel meer kennis, didactische variatie en kunde voor docenten beschikbaar gekomen. Er zijn inmiddels veel verschillende mogelijkheden voor het wiel, dat toen, dertig jaar geleden, met dagelijks hard werken in de klas moest worden uitgevonden. Veel van die kennis vindt nu slechts mondjesmaat zijn weg naar de praktijk. Samen ontwerpen, proberen, herbezinnen, bijslijpen en opnieuw proberen is de weg naar goed onderwijs dat tegemoet komt aan de behoeften van leerlingen èn maatschappij.

Mijn advies aan VO-raad en politiek is niet opnieuw de heilloze weg te gaan van de eindeloze voor en tegen discussies. Geen panel-avonden, forum discussies of grote conferenties. Geef scholen die er voor kiezen en docenten die het willen de ruimte en middelen tot experimenteren. Het vraagt talent, doorzettingsvermogen, creativiteit, optimisme èn veel durf om binnen een drukke baan aan de slag te gaan met het door ontwikkelen van je eigen kwaliteit en die van het werk. Beloon mensen die dat willen en kunnen en kijk goed naar wat daar gebeurt. Laat de goede voorbeelden de maat zijn, niet diegenen die op voorhand al roepen dat het niet kan. Daar energie in stoppen is verloren moeite. Stop ook geen geld in plannen voor grote systeem veranderingen. Dat geld verdwijnt onder vergadertafels. Facilliteer zichtbare ontwikkeling in de praktijk en beloon succes. Scholen kunnen ook klein beginnen. Eén breed heterogene klas, met een kleine, stevige, gemotiveerde groep docenten die samen aan de slag gaan en de opbrengsten daarvan delen in school. 

Voorkom één weg één waarheid oplossingen. We komen er niet met alleen gepersonaliseerd leren, wat differentiatie, individualisering of uitsluitend samenwerkend leren. Het antwoord zit in docenten die in breed heterogene groepen willen werken, al is het maar omdat ze dat een uitdaging vinden. Docenten die een breed pedagogisch en didactisch repertoire willen ontwikkelen dat bij hen en hun praktijk past. Val ze niet lastig met allerlei verantwoordingssystemen, maar stel als enige eis dat je altijd mag komen kijken, en doe dat ook! En verder geen papier en gedoe. Als je ontwikkeling wilt, komt systeem verandering niet eerst, maar pas helemaal aan het einde. Als het blijkt te werken.

En het M woord? Laten we de leugen dat het overal mislukt is zo snel mogelijk vergeten. Er waren op een aantal scholen voortreffelijke breed heterogene praktijken. Daar zou menig school nu nog wat van kunnen leren.

Over veertien ga ik op deze pagina wat dieper in op de gedachte ‘gepersonaliseerd leren. Dat idee haalde dezer dagen weer eens de pers. Hoogste tijd omdat eens echt onder de loep te leggen.

Lees verder / reageer