Examens?

Het centraal schriftelijk eindexamen gaat dus niet door. Dat is even schrikken. Het is een groot besluit in onderwijsland. Examens zijn heilig. In school moet alles er voor wijken. De eerste schok rommelde nog na in mijn hoofd of het vooruitdenken begon al weer. 

Hoe erg is dat eigenlijk, geen examen? In de cultuur van het voorgezet onderwijs hebben we met z’n allen examens heel belangrijk gemaakt. Maar zijn ze dat eigenlijk wel? Goed beschouwd zijn de eindexamens VO zijn niet meer dan de vaststelling of de leerlingen geleerd hebben wat de opleiding wilde. Een verantwoording voor de buitenwacht. In school weet men als het goed is al lang hoe de vlag er voor staat. Leerlingen hebben vier, vijf of zelfs zes jaar dagelijks lessen gevolgd, huiswerk gemaakt, voor proefwerken gestudeerd, spreekbeurten gehouden en ga zo maar door. Het echte opleiden moet het niet hebben van die laatste drie maanden mag ik hopen. Zonder examen zijn al die jaren van leren en onderwijzen toch niet ineens weg. Daar is helemaal niets aan veranderd. Ze waren klaar, alleen dat rare examen nog even. En wat is nu belangrijker, die jaren van opleiding of die laatste maand? Natuurlijk, afronden met een mooi moment, het gevoel dat je hebt laten zien wat je kunt en de erkenning daarvoor met een diploma, is een voor de kandidaten betekenisvolle gebeurtenis; de kroon op jaren hard werken. Geen examen doen is alsof je jaren hard getraind hebt en dat dan de wedstrijd niet door gaat. Maar dat komt vooral omdat we die wedstrijd belangrijker gemaakt hebben dan het sporten op zich, om maar even in de metafoor te blijven. Anders gezegd, we hebben het examen belangrijker gemaakt dan het leren en onderwijzen. Dat afrondende feestje kun je op allerlei manieren vieren. Geen examen doen verandert niets aan het leren, het groeien in kennis en inzicht in de jaren daar voor. 

De examenresultaten onderstrepen dat. Slechts circa tien procent van de VO leerlingen slaagt niet in één keer voor het eindexamen. Dat zijn er eigenlijk heel weinig, en van die tien procent slaagt een aanzienlijk deel even later alsnog, na een stoomcursus en de zogenaamde ‘her’. 

Wat betekent dat voor de situatie nu? Dat betekent dat we meer dan negentig procent van de leerlingen weliswaar zonder examen, maar met goed vertrouwen aan het vervolg van hun leren en leven kunnen laten beginnen. Maar een heel klein deel heeft mogelijk iets essentieels gemist. 

Er gaat nu een streep door de laatste schoolweken. Er valt een stukje onderwijs weg van een periode die op scholen voor een flink deel gevuld wordt met centrale toetsen en allerlei andere vormen van afronding. Het is een misverstand dal al het leren dan juist plaatsvindt. Dat gebeurde allemaal daar voor. Die laatste weken onderwijstijd wordt  niet besteed aan veel opleiden maar vooral aan verantwoorden. Vaststellen waar leerlingen staan. Maar elke gewetensvolle docent weet dat al van zijn leerlingen, voor ze de die periode en de eindtoets in gaan. Grote centrale toetsen en examens hebben vooral als functie de verantwoording naar de buitenwereld, met daarbij nog de schijnzekerheid van een cijfer met een tiende achter de komma. Er is maar heel weinig objectieve waarheid in toetsen. Lees Roger Standaert in ‘De becijferde school’ er maar op na. De verantwoording mag er zijn, natuurlijk, maar hij lijkt in ons schoolsysteem de hoofdzaak geworden. De goede kant van de crisis nu is, dat we wellicht weer terug kunnen naar waar het in scholen werkelijk om draait: leren.

Nog een ondeugende gedachte tot slot. Wellicht is dit een goed moment om die massale jaarlijkse exercitie ‘centraal schriftelijk’ bij het grofvuil te zetten en van elke school een aantal leerlingen, steekproefsgewijs, een ‘test-centraal schriftelijk’ te laten doen om te kijken of de school min of meer aan de kwaliteitsnormen voldoet. Dat kan de rest van de docenten en leerlingen hun tijd energie besteden aan belangrijker dingen: aan leren en onderwijzen. 

Lees verder / reageer

Een ander virus

Er zit sinds een paar jaar een virus in school. In alle scholen. Niet levensbedreigend zoals het corona voor ouderen, maar één die het leren van jongeren bedreigt. Een poosje werd gedacht en gehoopt dat het wel over zou waaien of ingehaald door een volgende, maar dat is niet gebeurd en gaat ook niet gebeuren. Dit is een blijvertje. Ik heb het over het mobieltje.  

Zomaar een donderdag op een beroepsopleiding ergens in Nederland. Ik zit onopvallend achterin een lokaal en kijk naar wat er gebeurt. Op een paar plekken ligt het apparaat nonchalant binnen bereik, een half oortje in en een dwalende hand die nu en dan schijnbaar terloops een berichtje tikt. Een ander mobieltje ligt op een knie onder het tafelblad, bijna voortdurend in gebruik. Een paar leerlingen zitten gebogen over hun laptop waarop naast lesstof ook van alles voorbij komt wat niet echt in een school of deze les thuis hoort. Een meisje met een hoofddoek met haar oortjes eronder en met haar vrije hand voortdurend met de blik naar beneden met een mobieltje in de plooi van haar kleding in de weer. 

Na afloop vertel ik de docent wat ik gezien heb. Die zakt moedeloos onderuit. Of ik een oplossing heb?

Zoals bij vrijwel alles wat lastig is in de klas, is er niet één, allesomvattende oplossing. Was dat maar zo. Het is een illusie te denken dat het instellen van een simpele schoolregel ‘mobieltjes in de klas altijd in je tas!’ afdoende is, maar laten we bij het begin beginnen. 

Is het wel een probleem? Ja! Voor leren is aandacht nodig. Leren terwijl je aandacht voortdurend weg lekt naar je mobieltje is precies hetzelfde als zogenaamd luisteren maar onderhand voortdurend met iets anders bezig zijn. Het werkgeheugen heeft maar een beperkte capaciteit. Verdeelde aandacht leidt tot ongeordende brokjes informatie die hopeloos de weg kwijt raken. Er blijft altijd wel wat hangen maar zelden dat wat de bedoeling was.

Tegelijkertijd kan het mobieltje in de les ook een prima hulpmiddel zijn. Er zijn al talloze apps die leren ondersteunen, informatie of hulplijnen bij opdrachten, kort durende app groepjes bij samenwerkend- of probleem gestuurd leren, spreken en terugluisteren bij moderne vreemde talen, opzoek opdrachten… Mits goed gebruikt zijn dat uitermate effectieve vormen van leren.Het mobieltje uit school verbannen is niet de oplossing, hooguit uitstel van executie. Een horloge met dezelfde mogelijkheden is er al. Maar wat dan?

In de klas is de docent de leidinggevende. Zij of hij is de regisseur van het leerproces. Die regie dient met kennis, kunde en gezag vorm te krijgen. Achter dat laatste woord schuilt de oplossing. Docenten met gezag hebben geen school-breed verbod nodig hebben om het mobieltje van tafel te krijgen. Dat zijn docenten die vriendelijk èn beslist zijn. Consequent èn soepel en altijd in verbinding met de leerlingen. Het zijn docenten die niet moe worden het met leerlingen te hebben over waarom ze doen wat ze doen. Docenten die niet op alle slakken zout leggen, maar tegelijkertijd weten wanneer ze op hun strepen moeten gaan staan. Het zijn docenten die het met hun leerlingen hebben over het waarom van de spelregels en ook aanvoelen wanneer even niks zeggen beter is. Dat is niet gemakkelijk. Gezag leer je niet, dat ontwikkel je. Lesgeven is geen bezigheid, het is een vàk! Voor goed onderwijzen moet je veel in huis hebben. In de meeste lessen die ik zie verstoort het mobieltje meer leren dan het helpt.

Het mobieltje is een hardnekkig virus dat zonder goede behandeling fataal is voor het leren. Misschien kunnen we de time out die dat andere virus ons geeft gebruiken om nog eens goed na te denken over hoe we daar mee om moeten gaan.

Lees verder / reageer

Boos

De kassière van de supermarkt kijkt bozig, stuurs naar mij terwijl ik mijn pasje pak . Dat doet ze al een jaar. Misschien wel twee jaar. Ik weet niet meer precies wanneer het begonnen is maar nog wel hoe. Ze stapte net achterwaarts haar kassa-nis uit toen ik gedachteloos mijn karretje naar voren duwde en haar in de zij ramde. Een kwaaie blik en ‘kijkt u een beetje uit’ kwamen mijn kant op. Het is een grote, stevige vrouw met kort geknipt, in een felle kleur paars geverfd haar. Ik schat haar achter in de veertig. Niet het type dat je even ondersteboven loopt. Hoewel ik uitvoerig mijn verontschuldiging aanbood, krijg ik sindsdien die blik. Af en toe zeg ik iets richting een verzoening zoals ‘lekker rustig vandaag’ of ‘wat een regen he’, maar ze volhardt in bozig door mij heen kijken.  Bij andere klanten toont ze een spontane vriendelijkheid, maakt een praatje, lacht even met ze. Zelfs als iemand een pot appelmoes bij haar kassa kapot laat vallen op de vloer, blijft haar humeur ongebroken. Tot ik aan de beurt ben. Dan valt de ijstijd in. Ik heb levenslang. Misschien komt het ook omdat ik geen klantenkaart heb, altijd nee zeg tegen de zegeltjes, niet voor een glasservies spaar en ook het bonnetje niet hoef. Misschien ben ik voor haar geen echte klant, een die erbij wil horen. Geen idee of kassières zo denken. Wij de supermarkt. Soms overweeg ik net zo bozig terug te doen, maar dat gaat me niet goed af. 

Ik slenter de winkel uit. Blijkbaar wil een mens er altijd bij horen. Afgewezen door de kassière, ik zal er mee moeten leven.

Lees verder / reageer

Met een mes naar school

Het was weliswaar vakantie, maar helemaal stil werd het niet in en om het onderwijs. Dit keer ging het over de wapens waar jongeren tegenwoordig mee over straat lopen en die dus ook mee de school in komen. De maatregelen tuimelden weer over elkaar heen. Verbieden, ouders beboeten, kluisjes controle… 

Twintig jaar geleden bezocht ik een aantal scholen in Chicago. Schitterende uitgeruste Highschools in parkachtige buitenwijken, maar ook een paar in volstrekte rampbuurten. Daarbij viel de Walter Dyett Highschool op. Een oase van rust en aandacht middenin een wijk vol geweld en armoede. Een kijkje in de wijk nemen werd me niet ontraden maar regelrecht verboden. Voor jongeren was die school eigenlijk de enige veilige plek om naar toe te gaan. Thuis en op straat dreigde altijd geweld. Er stond een hoog hek om de school. Bij de ingang van het terrein moest je langs een bewaker. Die controleerde alle leerlingen die naar binnen wilden op wapens. Als hij een wapen vond, betekende dat niet alleen inleveren maar ook geen toegang meer. Niet voor een dag, niet voor een week; voor goed!, zij het met één allerlaatste kans: je mocht je wel opnieuw aanmelden. Met alle toelating gedoe: gesprekken, formulieren en het onderschrijven van gedragscodes, allemaal van voor af aan. ‘Eén fout mogen we allemaal maken’, zei de schoolleidster tegen mij, als we er maar echt wat van leren. En dat onderzoeken we bij de hernieuwde aanmelding heel grondig. Het is geen sorry en dan weer naar binnen.’

We liepen samen door de school. Links en rechts stelde ze me, zonder haast, voor aan leerlingen en medewerkers, nam de tijd voor gesprekjes, en deed in lokalen even mee aan de les.

‘De kinderen komen hier graag. Het is de enige veilige plek in de wijde omgeving. Hier worden ze vriendelijk benaderd, geen geschreeuw, hier kunnen ze de zorgen van thuis even achter zich laten zodat er geleerd kan worden. We bemoeien ons niet met de thuissituatie. Dat is allemaal verloren energie. We bellen ouders wel als die bereikbaar zijn om bijvoorbeeld een goed cijfer door te geven, of om te vertellen dat het goed gaat. We zorgen dat het hier een plek is waar je graag wilt zijn en veel kunt leren’. Ik zag nergens in de school een overdreven discipline en de enige zichtbare beveiliging was die bij het hek. In de lokalen werd consequent en zorgvuldig met de principes van samenwerkend leren gewerkt. De schoolleidster was voortdurend zichtbaar in gangen en lokalen met persoonlijke aandacht voor ‘haar’ docenten en kinderen. En ja, eerlijk is eerlijk, het was geen heel grote school. Ongeveer vierhonderd leerlingen. De dagen ervoor had ik in soortgelijke wijken ook scholen gezien met kogelgaten in de ramen en uitgewoonde lokalen. Ik weet nog dat ik toen dacht ‘is dit het visite kaartje wat je als maatschappij aan de volgende generatie geeft?’. De Walter Dyett School was daarmee vergeleken een verademing. Zie je, het kan dus wèl!, dacht ik toen. Met een vakkundige en betrokken leiding en medewerkers en een glashelder, stevig èn vriendelijk beleid. Maar zoals overal bleek het ook hier afhankelijk van geld. Het district stopte met investeren in kleine scholen. Het unieke karakter van de school ging verloren. Hij lijkt nog wel te bestaan, maar niet in de vorm die ik toen zag. 

Alles wat in Amerika is, komt vroeger of later ook naar Nederland zei men twintig jaar geleden al. En daar is het dan! Kunnen we iets leren van de Walter Dyett High van toen? Je moet uitkijken met goede voorbeelden uit een ver land zomaar over te nemen. Schijnbaar simpele oplossingen voor (onderwijs)problemen zijn vaak diep geworteld in de cultuur van dat land. Die laten zich niet één op één over de oceaan tillen. Maar een paar lessen kunnen we wel leren. Zoals ik daar verschillen tussen scholen zag, zie ik die hier ook, tot binnen één school aan toe. Er zijn grote verschillen tussen de leersituatie in klaslokalen waar docenten nadrukkelijk en doelgericht bouwen aan een goed werk en leerklimaat en de lokalen waarin eigenlijk alleen maar leerstof wordt overdragen en de sfeer heerst dat leerlingen zich gedeisd moeten houden of vertrekken. Enorme verschillen, tussen scholen, maar dus ook binnen één school. Om het in scholen in lastige wijken goed te doen, moet je als docent en schoolleiding veel in huis hebben. Met alleen maar sociaal-vriendelijkheid of juist discipline red je het niet. Je hebt docenten nodig met een mooi mengsel van stevigheid en een solide pedagogische en didactisch repertoire, een schoolleiding die dat snapt en dichtbij is, het voorbeeld geeft en ja, ook een bewaker bij het hek met hart voor de school èn een scherp oog voor veiligheid. Een mens, geen poortje: de straatcultuur moet buiten blijven.

‘Maak van de school geen gevangenis’, stond er boven een krantenartikel de afgelopen week. Dat moet inderdaad niet, maar het moet voor iedereen leerlingen en medewerkers, een veilige plek zijn. Zonder dat kom je aan leren niet toe. En daar is de school wel voor bedoeld.

Lees verder / reageer