Het misverstand mantelzorg

HET MISVERSTAND MANTELZORG

Hoe koopman en dominee elkaar weer vonden

Afbeelding ColumnsTussen al het kabaal over de zorg door voltrekt zich stilletjes een verandering in denken en  beleid. Waar tot voor kort zorg  als professie werd gezien, inclusief opleiding en kwalificatie tot tenminste mbo-niveau en liever nog hbo, zijn we langzaam maar zeker allemaal zorgmedewerker geworden. De mantelzorger als oplossing voor het maatschappelijke vraagstuk dat ouderenzorg heet. Sympathiek misschien, het inmiddels volwassen, dankbare en zorgzame kind of de nog wat fittere, liefhebbende partner die met dagelijkse toewijding de zorg voor de ouder of partner op zich neemt en tot deel van zijn of haar leven maakt. Begrijp ons goed, daar waar het gaat om wat intensievere aandacht, regelmatig bezoek, een boodschap doen of wat dingen uit handen nemen die niet meer zo gemakkelijk gaan, is er natuurlijk geen sprake van een probleem. Dat behoort allemaal tot de normale zorg voor de ander, of dat nu je partner, ouders of een omwonende betreft. “Slijtage”, vaker ziek zijn en andere ongemakken zijn nu eenmaal niet te voorkomen. Het is, ook in onze ogen, logisch dat ouderen, 70 is het nieuwe 50, niet meer massaal richting verzorgingshuizen vertrekken. Tot op hoge leeftijd binnen de eigen vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen is een goede ontwikkeling.

In het nieuwe denken ’Mantelzorg’ verschuift de verantwoordelijkheid tot adequate zorg voor ouderen de komende jaren van de overheid en de professional  naar de omgeving van de zorgvrager. De gedachte is dat de huidige zorgcentra en verpleeghuizen, de zogenaamde intramurale zorg, omgevormd worden tot kennis- en innovatiecentra ter ondersteuning van de mantelzorger en een plek voor kortdurende opvang als de thuissituatie het even niet meer aan kan. Het is een sluipende, maar radicale verandering. De criteria om in een zorgcentrum opgenomen te worden zijn de afgelopen jaren stapsgewijs verhoogd. Mantelzorg is het basismodel voor de toekomst; naastenliefde met een aantrekkelijk kostenplaatje als oplossing voor een maatschappelijk vraagstuk. Nederland heeft daar een rijke traditie in.

Het probleem is niet de groep ouderen die wellicht wat vergeetachtiger, vaker ziek, langzamer en breekbaar, maar die verder geestelijk gezond is en zich met wat hulp prima kan redden. Het probleem concentreert zich vooral rond ouderen die ernstige vormen van dementie, Parkinson of soortgelijke ziektes ontwikkelen. Die groep is sterk groeiende. Dan is er geen behoefte aan ouderenzorg maar aan zeer specifieke ziekenzorg. Gedrag en persoonlijkheid van de patiënt kunnen op den duur ingrijpend veranderenHij of zij wordt van partner of ouder een hulpbehoevende “geesteszieke”, met wie in feite geen werkelijke communicatie meer mogelijk is. In elk geval niet die communicatie waar de relatie al die jaren op gebouwd was. Sommigen vergelijken die verandering met het weer kind worden en dienovereenkomstige noodzaak van zorg. Was het maar waar, dan was er wellicht nog goed mee te leven. Dementie kent vele verschijningsvormen maar is vaak een combinatie van lichamelijke èn (ernstige) geestesziekte. Dagelijkse omgang met deze groep dementie-patiënten vraagt kennis en inzicht in het ziektepatroon en weten wat te doen bij de 101 confrontaties die zich op een dag voordoen, een professionaliteit die haaks staat op liefdes- of kind-ouder relatie waarop het samenzijn tot dan toe gestoeld was. Om een vergelijking te maken: veel mensen denken dat het onverstandig is als leerkracht je eigen kind in de groep te hebben, je broer als huisarts of je vader als psychiater.

Als het met ons zover komt, zullen we ons uiterste best doen onze geliefden niet met dat aspect van zorg op te zadelen. Wij willen onze partners of kinderen  niet als  mantelzorger.

Het is zaak dat de kongsi van geloof en zakenman in politieke en beleidskringen een halt wordt toegeroepen. Het gaat wat kosten, maar we zijn een ongelooflijk rijk land. Je kunt niet enerzijds roepen dat er te weinig zorgmedewerkers zijn, dat het toch zo’n ongelooflijk mooi beroep is, en het tegelijkertijd in de schoot van de mantelzorger schuiven. Het onderscheid tussen de mantelzorger en de zorgmedewerker, de professional, wordt vager en vager en het heeft er de schijn van dat de zorgmedewerker pas ingezet wordt als  de mantelzorger uitgeput is, het echt niet meer aankan, of wat instructie nodig heeft. Dat is een sterke uitholling van de professie van de zorgmedewerker, het ambacht van de zorg. Kennis, vaardigheden en een professionele houding zijn daar de kern van. Dat kun je niet met wat instructie en begeleiding overdragen aan een mantelzorger.  Als dat het beeld van het vak wordt, hoeven we ons niet te verbazen dat er zo weinig animo voor de opleiding tot zorgmedewerker is. Een campagne gaat dat niet oplossen. 

Mantelzorg wordt gepresenteerd als het antwoord op de groeiende vraag naar ouderenzorg. Wat maakt dat we daar allemaal voetstoots mee instemmen? Omdat het geen aanspraak doet op de verzekeringspremie? Omdat het met een normatief sausje van liefde en mededogen overgoten is? Ouderenzorg is een maatschappelijk vraagstuk. Met het mantra ’mantelzorg’ wordt de oplossing daarvan bij individuele burgers neergelegd met grote consequenties voor hun kwaliteit van leven.

Heb zorg voor ouderen in je omgeving, maar ouderenzorg is een vák, geen liefhebberij.

Simon Ettekoven en Liesbeth Vos

Auteurs zijn beiden als vrijwilliger actief in ouderenzorg en ervaringsdeskundige. 

Lees verder / reageer

Nederland vol?

De storm is weer geluwd. Het geroep alom dat Nederland vol zou zijn, is weer even verstomd. Alsof Nederland in de ogen van al die roeptoeters nu ineens weer leeg is. Denkfoutje, of beter; niet goed gekeken. Nederland is nooit vol geweest. 

Het afgelopen jaar fietste ik in een stuk of vier etappes het zogenaamde ’rondje Nederland’. Dat is een beschreven fietstocht langs de Nederlandse grenzen volgens zogenaamde LF-routes. Met uitzondering van het midden, Utrecht en Flevoland, kom je door alle provincies via landelijke fietspaden, voortreffelijk bewegwijzerd, zodat je je nergens een kaart nodig hebt en langs de allermooiste plekjes die Nederland kent. Naast de conclusies dat Nederland een prachtig fietsland is en dat ik dit veel eerder had moeten doen, weet ik nu nog iets heel zeker: Nederland is niet vol. Beter nog, Nederland is leeg. Hartstikke leeg.

Afbeelding FietsenFietsroutes brengen je uit de zogenaamde bewoonde wereld. Je laat de grote en kleine steden achter je en fietst letterlijk de ruimte in. Wandelend heb je het vaak over maar een paar kilometer, maar op de fiets zie je pas hoe veel uitgestrekte, lege natuur er is. Vele kilometers achtereen. Hooguit hier en daar een boerderij of klontje huizen, dorpjes met een bakker, een supermarktje en mini basisschool. Twintig huizen en een kroeg tegenover de kerk, het bestaat nog. Nederland vol? Waar mensen het idee vandaan halen dat Nederland vol zou zijn is mij nu een raadsel. Ja, als je in zo’n vol gestampte buitenwijk van een grote stad woont, of in een tot de laatste vierkante meter volgebouwde vinexlocatie, als je elke ochtend op de snelweg in een eindeloze file aanschuift, of als je probeert een zitplaats te veroveren in een afgestampte spits-intercity, ja, dan kun je de indruk krijgen dat Nederland vol is. Op die plekken is daar ook best wat voor te zeggen. Maar dat is een heel plaatselijke waarheid. Even verder kijken dan je neus lang is, levert een heel andere beeld. Het beeld dat Nederland ook heel leeg is.

Ruimte zat in Nederland dus, echt waar, ook voor de mensen die door bittere ellende van huis en haard verdreven zijn. Alleen dan moet je in al die wonderschone natuur of bij zo’n pittoresk dorpje geen wanstaltig, groot opberghok willen bouwen voor duizend of meer nieuwkomers. Dat is verkeerd denken. Dan zou ik ook dwars gaan. Het kan ook anders. Zet een paar goed uitziende, prima verzorgde woninkjes die in die omgeving passen bij elkaar. Woningen die – als ze voor deze groep niet meer nodig zijn –  ook geschikt zijn voor starters op de woningmarkt of mini-vakantieparkje. Organiseer de opvang, taallessen en de integratie naar maatschappij en werk kleinschalig en dichtbij. Dat helpen uitvoeren brengt werkgelegenheid naar plekken waar die nu spaarzaam is. Op de lokale school is een klein groepje nieuwe leerlingen vermoedelijk meer dan welkom. En zolang het behapbaar is, het ons lukt hen erbij te laten horen, als er contact gemaakt kan worden, zal het voor de omgeving geen schrikbeeld zijn.

Kost dat veel geld? Ja, dat kost veel geld. Maar dat geld hebben we wel. En een beetje verantwoordelijk mogen we ons wel voelen. Nederland is schathemelrijk en bouwde die welvaart op het eeuwenlang meedogenloos leegroven van koloniën. Ik ben er van overtuigd dat als je alles mee zou rekenen, de prijs van de huidige aanpak – politie inzet, protest bijeenkomsten, eindeloos vergaderen, mislukte plannen, overbodig geworden gebouwen en ga zo maar door – en de hiervoor geschetste ’landelijke’ manier, niet veel uiteen zal liggen. Utopisch? Welnee! Echt, Nederland is alles behalve vol.

Lees verder / reageer

Elektrische onzin!

Vriendelijk lachend presenteert de duurzaamheid-lobby de elektrische auto als de oplossing voor ons energie probleem. Was het maar waar. Ik wantrouwde de hosanna verhalen vanaf het begin, maar meen het nu zeker te weten. De elektrische auto is geen oplossing, het is eerder een probleem erbij.Afbeelding Columns

Rekent u even mee? Een bescheiden elektrische auto verbruikt ongeveer 3000 Kwh  per jaar als u er niet al te veel kilometers mee maakt. Dat is evenveel als het energieverbruik van een gemiddeld gezin. Die gezinnen verbruiken nu allemaal samen ongeveer 20 miljard kWh per jaar. Zes procent daarvan is afkomstig van ’nieuwe’ bronnen zoals wind- en zonne-energie. Nog eens 20 miljard kWh erbij gaan we dus niet redden met windmolens en zonnepanelen. Niet zonder Nederland daar hopeloos mee vol te bouwen. De elektriciteitsproductie ten behoeve van alleen huishoudens in Nederland zal verdubbeld moeten worden als we massaal omschakelen op de Nissan Leaf, Tesla of hoe ze ook maar mogen heten. En dan heb je nog het vrachtverkeer. Als die vanuit het stopcontact gaan rijden vraagt dat nog eens een slordige vijf miljard kWh extra.

En als we het nu toch doen, al is het maar om al die ongewenste uitstoot van mens- en klimaat vernielende gassen te voorkomen? Massaal elektrisch autorijden betekent – zie boven –  energie centrales erbij in plaats van sluiten. Als u net als ik hebt opgelet op school, weet u dat elektriciteit niet uit de lucht komt vallen. Dat moet je ergens van maken. Dat gebeurt nu voornamelijk met gas, aardolie, kolen of kernenergie. Meer elektrische auto’s betekent dus meer energiecentrales, wat alleen maar neer komt op het verplaatsen van ongewenste uitstoot. Geen oplossing dus voor het energie-probleem en ook niet voor de ongewenste uitstoot.

Waarom dan die toch die lobby voor elektrisch rijden? Enerzijds omdat geen enkele politieke partij het bericht durft te brengen dat we de particuliere auto ten grave gaan dragen – daar win je geen stemmen mee – en natuurlijk ook omdat de autoindustrie het toekomstige lijk al ziet drijven en wél auto’s wil blijven verkopen.

’En waterstof dan?’, roepen de zieners. Waterstof is inderdaad een wereldwijd verkrijgbare, bijna onuitputtelijke grondstof. Het is per slot een bestanddeel van water. Waterstof uit water halen is kinderlijk eenvoudig, dat wil zeggen… je hebt er wel elektriciteit voor nodig. Kent u de wet van behoud van energie nog? je kunt er niet meer uithalen dan je er in hebt gestopt! Daarmee zijn we dus weer terug bij af. Geen auto’s op waterstofgas. Wel schone uitlaatgassen maar geen oplossing van het (fossiele)energie probleem. Net als bij de elektrische auto dus. Veel meer dan leuke gadgets met veel belastingvoordeel voor de ’duurzame’ ondernemer zullen het niet worden.

Maar wat dan? Ik denk dat we pas verder komen als we leren accepteren dat de tijd van de auto als belangrijk individueel transportmiddel voorbij is. Zoals het paard als vervoermiddel uit het straatbeeld verdween en een hobby-activiteit werd voor de liefhebber, zo moet het ook maar met onze auto’s gaan. En ik houd van auto rijden, heb er zelfs twee!, dus ik mag het zeggen. Bouw de A1 t/m A50 maar om tot een soort van HSL’s. Ondertunnel voor mijn part de hele randstad en maak intercity-metro’s. En vooruit, die laatste paar kilometer naar huis kan dan wellicht best met een electro-smart. Het wordt tijd dat we verder kijken dan oude concepten lang zijn. Denk groot, grensverleggend, maar probeer me geen knollen voor citroenen te verkopen. Stop met het via de belasting subsidiëren van elektrisch rijden en investeer dat geld in onderzoek en échte innovatie in plaats van het bezit te stimuleren van milieu-status-hebbedingen voor goed verdienende trendvolgers. De elektrische auto draagt niets bij.

Lees verder / reageer

Zelfsturing?

Het idee waart al enige tijd rond. Zelfsturing als toverwoord tegen alle organisatiekwalen. Was dat maar waar. Was de oplossing voor niet functionerend management maar zo simpel. Er is niets tegen leidinggeven mits dat goed gebeurt. Laten we het kind niet met het badwater weggooien.Afbeelding Columns

De boekenplank vult zich gestaag met de schrijfsels van de laatste generatie management guru’s zoals ’Verdraaide organisaties’, ’Reinventing organisations’ en ’Nooit af’ om maar eens drie populaire titels te noemen. Elke keer als ik dat type boek lees, vraag ik mij af hoe die in hemelsnaam zo populair kunnen worden. Goed beschouwd staan ze maar één stap af van de bulk aan zelfhulpboeken waarmee we overstroomd worden. Daarmee hebben ze ook direct een groot gebrek gemeen: wat voor de één de gouden oplossing is, is voor de ander van de regen in de drup. Net zo min als er standaardoplossingen voor mensen bestaan, bestaan die ook niet voor organisaties.

Wat is er mis met zelfsturing? Op zich niets. Elk mens heeft behoefte aan autonomie. Dat weten we al sinds Ryan & Deci en Arnold Cornelis gaf rond de eeuwwisseling een mooie aanvulling met het begrip communicatieve zelfsturing. Populair gezegd: in samenspraak met je omgeving besluiten nemen die goed zijn voor jezelf en niet slecht voor anderen. Oftewel, zelfsturing is iets anders dan ikke ikke en de rest kan stikken. So far so good, en als alles op rolletjes verloopt zal het met die zelfsturing ook best lukken. Anders wordt het als het tegenzit, als er een conflict van belangen dreigt. Normaal gesproken zijn we onze primaire drijfveren aardig de baas, maar als we in de knel komen, als bedreiging of verleiding te sterk worden, zet ons onbewuste ons in een meedogenloze overlevingsstand: niks belang van de organisatie, het gaat nu even om mij. Om daar bij weg te kunnen blijven, is een buitengewoon reflectieve geest nodig. In een spannende situatie moeten verstand en redelijkheid het winnen van angst, woede of verdriet. Dat is niet veel mensen gegeven. Terecht schrijft Goleman dat voor zelfsturing adequate zelfkennis een eerste vereiste is. Cognitieve zelfkennis, weten wat je wel en niet kunt,  emotionele zelfkennis, je gevoelens kunnen herkennen en hanteren en existentiële zelfkennis, weten wat en wie je wilt zijn. Ga er maar aanstaan.

Daar hoor je die boeken niet over. Wel een litanie van succesverhalen, wel een eindeloze reeks van ja-voorbeelden, wel op enthousiaste toon het eigen gelijk breed uitmeten en dat alles geïllustreerd met wat cherry-picking uit de wetenschap. Zo ontstaat een concept dat zich meer op opvattingen dan op zorgvuldige  – je zou het woord bijna niet meer durven gebruiken – wetenschappelijke onderbouwing berust.

Een paar uiterst slordige metaforen wil ik u niet onthouden. Over wetenschap gesproken. De auteurs verwijzen graag naar de natuur. ‘The spider and the starfish’ (zeester) is een populaire metafoor die veel aangehaald wordt. De zeester is dan het voorbeeld van de zelfsturende organisatie: knip een poot af, en hij gaat gewoon door. De spin staat voor een organisatie met leiding: haal de kop er af en hij weet niet meer wat te doen. Tsja… De zeester heeft geen ’kop’. Zijn centrale zenuwstelsel of wat daar voor door moet gaan, ligt in het midden van zijn lichaam, cirkelvormig, rond de mond aan de onderzijde. Als je dat weg zou halen, is de zeester net zo hulpeloos als de onthoofde spin. Dan willen alle poten een andere kant op. Of die van ‘de zwerm’. We zouden van de zwerm kunnen leren. De zwerm is de vleesgeworden meritocratie. Beland je toevallig in het buitengebied, daar waar het gevaar dreigt, loop je grote kans opgegeten te worden. Het gedrag van een zwerm is onvoorspelbaar en speelt zich altijd af binnen de beperking van de eigen mogelijkheden. Onvoorspelbaar draaien en keren als enige verdediging. Nooit een oplossing op een ander niveau; erg intelligent klinkt dat niet. Nee, doe mij dan maar een kudde. Daar lopen de sterkste en meest ervaren dieren aan de buitenkant en beschermen zo de jonge aanwas. Ze bepalen de route naar voedsel en veiligheid op basis van hun ervaring en voortdurende inschatting van omstandigheden. De kudde of groep met goed gedefinieerde rollen staat staat heel wat dichter bij onze evolutionaire basis dan de primitieve zwerm. Niet dat de kudde geen nadelen heeft, maar daar zouden we ook een voorbeeld aan kunnen nemen. Het is maar welke gelijk je zoekt.

Autonomie is belangrijk en een zekere vorm van zelfsturing onontbeerlijk, dat staat buiten kijf. Maar het verkopen als de Haarlemmerolie voor krakende organisaties? Doe me een lol. Misschien moet ik ook maar eens een boekje schrijven.

Lees verder / reageer

Vooroordelen de school uit!

De politieke ontwikkelingen zijn niet vrolijk makend. Het zonder veel nadenken alles maar roepen, feiten en meningen hopeloos verwarren en vooroordelen debiteren zonder die aan een kritische blik te onderwerpen, is dagelijkse kost geworden.Afbeelding Onderwijs

Ook in klaslokalen. Onderwijs wordt voortdurend een belangrijke rol toegedicht in de ontwikkeling van goed burgerschap en helder denken, maar veel docenten mijden begrijpelijkerwijs de confrontatie en zo worden scholen tot jungles waar je de kop maar beter tussen de schouders kunt houden. Dat kan anders.

Door een toeval stuitte ik op een bijzondere, met omvangrijk onderzoek ondersteunde bron, die me duidelijk maakte hoe actueel de argumenten voor werken met Samenwerkend Leren (swl) in de klas zijn. Juist nu. In een artikel in de Groene Amsterdammer over de verkiezingen in Amerika, werd in een bijzin verwezen naar de theorie van Allport, waarin (doelgericht) samenwerken wordt gezien als dé methode om vooroordelen tussen groepen te slechten. Al sinds eind vorige eeuw heb ik met regelmaat groepen docenten getraind in het werken met swl. En hoewel altijd met enthousiasme ontvangen, wordt het tot op de dag van vandaag maar op weinig scholen echt goed gebruikt. Het artikel in de Groene leidde naar bemoedigend onderzoek.

Goed beschouwd is vermoedelijk Gordon Allport (1897-1967), een van oorsprong Amerikaanse psycholoog, voornamelijk in Europa werkzaam en een van de grondleggers van de persoonlijkheidspsychologie, degene geweest die als eerste kenmerken en effecten van swl heeft geformuleerd. Zijn boek ‘The nature of prejudice’ uit 1954 wordt tot op heden als het standaardwerk op het gebied van discriminatie en vooroordeel beschouwd. De aanleiding tot het formuleren van zijn theorie was een buitengewoon uitgebreide studie naar het functioneren van militairen in pelotons met een gemengde zwart/blank samenstelling versus geheel blanke pelotons tijdens de tweede wereldoorlog en de invloed van dat samenwerken op hun opvattingen over elkaar. De uitkomst sloot aan bij eerdere waarnemingen van hem en vormde de basis voor wat Allport in zijn boek ‘de contacttheorie’ noemt. Zijn conclusie vervat in de contacttheorie luidde:

dat doelgerichte, goed gestructureerde samenwerking tussen personen afkomstig uit verschillende culturen, een opvallend groot positief effect heeft op hun opvattingen over die groep en de wens met hen te willen samenwerken.

Anders gezegd: samenwerken, mits goed georganiseerd, neemt vooroordelen weg.

Dat lijkt me een actueel thema.

De geschiedenis

Samenwerkend leren (swl) is een van de best beschreven en meest gedocumenteerde onderwijsstrategieën waarover leerkrachten kunnen beschikken. Samen met directe instructie en (metacognitieve)reflectie rekent John Hattie (2009) het in zijn veelomvattende studie ‘Visible Learning’ tot de meest effectieve vormen van onderwijs. Bij al het onderzoek dat naar de effectiviteit van samenwerkend leren gedaan werd, moet gezegd worden dat veel van de geciteerde studies van de hand van zijn van wat je de grondleggers van swl zou kunnen noemen. Vooral  Johnson en Johnson en Elisabeth Cohen, pioniers en fervente voorstanders vanuit sociaal-maatschappelijke argumenten, worden veel genoemd. Zij begonnen hun werk relatief kort na de publicatie van Allports boek, toen een wetenschapper van naam. Het lijkt er sterk op dat zij met hun vormgeving van ‘cooperative learning’ ten tijde van de opheffing van de rassenscheiding in het onderwijs, geïnspireerd werden door het werk van Allport en het onderzoek waarop hij zich baseerde. Hun pleidooi werd vanaf het eind van de vorige eeuw nog versterkt door Bellanca en Fogarty die de koppeling legden tussen leren, hardop denken en samenwerkend leren vanuit een constructivistische opvatting over leren en Spencer Kagan die het vooral vanuit effectief klassemanagement en heldere instructie verdedigde.

Waarom nu?

Vooroordelen zijn met de moderne media de klas ingeslopen. Als zij er niet altijd al waren, zijn ze nu in elk geval zichtbaar en – vaak luidkeels –  hoorbaar. Ongewenst vanuit principes van goed onderwijzen en voorbereiding op goed burgerschap, onaangenaam voor het klimaat en buitengewoon hinderlijk voor het leren dat de leerkracht probeert vorm te geven. Veel leerkrachten worstelen hoe daar mee om te gaan. Heen en weer geworpen tussen de keus voor opgewonden discussies en alle onrust daarbij, de tijdsdruk van het curriculum en de vaardigheid die het vraagt in dat klimaat te opereren, wordt het onderwerp vaak maar vermeden. Maar je kunt ook iets doen zonder het expliciet onderwerp van gesprek te maken. Noem het maar ‘de Allport aanpak’; werken met zijn ’contacttheorie’.

Dat is iets anders dan leerlingen opeens of zomaar met elkaar laten samenwerken. We hebben het over samenwerkend leren, dat is een strategie. Er is veel kennis en ervaring beschikbaar over de mogelijkheden van samenwerkend leren in de klas en het effect daarvan op het leerklimaat. Niet alleen wat betreft theorie, maar vooral ook gericht op de praktische vormgeving in de praktijk van alle dag. Ondanks al deze kennis speelt echt samenwerkend leren, vakkundig uitgevoerd met alle criteria zichtbaar in de klas, maar een kleine rol in het overgrote deel van de lessen op de scholen die ik bezoek. Er wordt wel met enige regelmaat door leerlingen samengewerkt, maar dat laat zich meestal beter karakteriseren als ongestructureerd groepswerk dan als samenwerkend leren en is dan ook als regel weinig effectief als het gaat om leren of verbetering van sociale interactie. Zo gebruikt veroorzaakt samenwerking meer problemen dan dat het oplost. En dat in een tijd waarin de vooroordelen over verschillende groepen binnen de samenleving tot meer en meer tegenstellingen leiden en de conflicten daarover op de sociale media en in school voor leerlingen dagelijkse kost zijn geworden. Dat doelgerichte, goed gestructureerde en door de leiding gefaciliteerde samenwerking tot het verminderen van interculturele spanningen leidt, is onder sociologen sedert het werk van Allport en mensen na hem gemeengoed. Samenwerkend leren voldoet aan de criteria die zij stellen.

Het onderzek

Het onderzoek waar Allport zijn theorie op baseert vond plaats in het Amerikaanse leger en was van een enorme omvang. Er was veel geld beschikbaar, omdat de legerleiding vreesde dat de noodzakelijk toelating van afro-amerikanen tot het leger aan het einde van de tweede wereldoorlog, zou leiden tot demotivatie van de blanke soldaten. De uitkomst van het onderzoek was buitengewoon opvallend en van grote betekenis voor het onderwijs van nu. 62% van de soldaten met ervaring uitsluitend in geheel blanke pelotons gaf aan in de toekomst óok niet met zwarten te willen samenwerken, tegen 7% van de soldaten met ervaring in het werken in gemengde pelotons (Smith, the nature of interrational contacts 1943). Een ook naar huidige onderzoeksmaatstaven buitengewoon opvallend en groot verschil. Singer (1948) herhaalde het onderzoek met de samenwerking tussen blank en zwart op koopvaardijschepen en kwam tot een soortgelijke conclusie en Bramfield (1948) vertaalde dit naar schoolsituaties na langdurige observaties van samenwerking tussen leerlingen in scholen en versterkte de conclusie nog met de observatie dat conflicten en vooroordelen ten opzichte van elkaar toenamen als leerlingen uit de verschillende bevolkingsgroepen in school van elkaar gescheiden werden gehouden.

Allport kwam na zijn analyse van de onderzoeksresultaten met een vijftal voorwaarden voor die effectieve samenwerking:

  1. Gelijke status
  2. Gemeenschappelijk doel
  3. noodzakelijke samenwerking ipv competitie om doel te bereiken
  4. Overheidssteun
  5. (later toegevoegd) Elkaar leren kennen

Kenners van de strategie samenwerkend leren zal de grote overeenkomst opvallen tussen Allports voorwaarden uit 1954 en de kenmerken van samenwerkend leren zoals tegenwoordig algemeen geformuleerd (Ebbens en Ettekoven, 2016). De Nederlandse onderzoeker Jeroen Janssen (2014) kwam nog onlangs tot soortgelijke conclusies. Hij benadrukt dat groepen heterogeen naar meisjes en jongens effectiever zijn en dat bij ‘vriendengroepen’ het leerrendement lager is. Een van de oorzaken daarvoor zou zijn dat binnen een groep gelijkgestemden minder aan elkaar doorgevraagd wordt en daardoor minder leergesprekken plaatsvinden.

Conclusie

Kortom, het is weer tijd voor samenwerkend leren, als die tijd al ooit weggeweest is. Samenwerkend leren, zorgvuldig vormgegeven volgens de criteria zoals die ooit door de grondleggers werden vastgesteld, waarbij leerlingen van elkaar afhankelijk zijn om hun doel te behalen en waarbij de groepssamenstelling bewust heterogeen is naar geslacht, culturele achtergrond en mogelijkheden. Dat vraagt om leerkrachten die de moeite willen nemen zich te verdiepen in de strategie met al zijn mogelijkheden en valkuilen, leerkrachten die stelling durven te nemen, die leiding kunnen geven aan hun groep en onderwijskundige uitdagingen aandurven.

Waar wachten we op?

Simon Ettekoven

Lees verder / reageer