Droomschool

Op de een of andere manier lukte het me niet om het programma Dreamschool tot het einde toe uit te kijken. Niet alleen als serie, ook bij elke aflevering; na een kwartiertje mijn best doen was ik er elke keer helemaal klaar mee. Het idee lijkt niet verkeerd. Neem een ploegje jongeren die om allerlei redenen in het reguliere onderwijs hun draai niet gevonden hebben en naar de rand van de maatschappij afglijden. Zet ze in een nieuwe, kansrijke omgeving, voed ze met allerlei inspirerende voorbeelden en zorg voor betrokken begeleiders met kennis en ervaring, aandacht en uithoudingsvermogen. Het klinkt als een kansrijk concept. Waar ging het dan mis?

Waarom laat Dreamschool een smaak achter van trash-tv, terwijl 100 dagen voor de klas mij direct voor zich wist te winnen? Ook in die serie kwamen we een paar jongeren tegen die zo in Dreamschool gepast hadden. Het is alle twee reality tv, niet mijn favoriete genre, maar dat kun je blijkbaar op verschillende manieren maken. Ik twijfel geen moment aan de goede bedoelingen van Lucia Rijker en Eric van ’t Zelfde. Ik denk dat alle twee het hart op de goede plaats hebben. Maar bekende Nederlander zijn is geen garantie voor integere en kwaliteitsvolle televisie. Van ’t Zelfde is een ervaren schooldirecteur en kreeg bekendheid als de inspirerende rector van een school in oorlogsgebied. Wat bezielde hem dan om uitgerekend in dit programma in te stemmen met een gastles door het zelfbenoemd orakel Maarten van Rossum? Dan ben je het spoor even bijster. Of overruled door programmamakers. Onze hoofdrol spelertjes waren vogeltjes voor de kat. Porno-TV noemt mijn nichtje dat. Elke docent met meer interesse in de eigen inhoud dan in zijn leerlingen, stuurt op een debacle af. Exit van Rossum. Zijn werk is goed betaalde lompheid met een air van ‘zo zit het nu eenmaal’ gedompeld in een vederlicht academisch sausje aan de man te brengen. Het is entertainment ten koste van je groep. Het was voor deze jongeren het zoveelste bewijs dat je voor ouderen geen respect hoeft te hebben. En dat wat ze zeggen er niet toe doet. Van ’t Zelfde had dat kunnen voorkomen. Nu mocht de kijker zich even amuseren met het spektakel. En Lucia Rijker? Ze barst van doorzettingsvermogen, vasthoudendheid en interesse in ‘haar klasje’. Maar met dat, veel invoelend vermogen en wat psychologiseren kom je er niet. Al helemaal niet als dat leidt tot dooddoeners als ‘als je het werkelijk wilt, kun je alles bereiken’. De mythe van de maakbaarheid met een likje positieve psychologie. Die uitspraak is een directe belediging aan het adres van al die jongeren die in het zelfde schuitje zitten en niet op tv komen. 

Dreamschool is een mislukte mix van goede bedoelingen en de drang naar kijkcijfers. Als er nog een seizoen komt is het beter naar een andere regisseur en producent om te kijken. Wellicht dat praten met de VPRO en de mensen van ‘100 dagen voor de klas’ een idee is. In de formule zit best een integer programma. Maar niet zo. En als dat niet lukt? Misschien moet van ’t Zelfde dan maar gewoon gaan doen waar hij goed in is; een school leiden. En Rijker? Neem je groepje maar mee je sportschool in. Doe het met ze in plaats van er over te praten, en laat die camera maar weg.

Lees verder / reageer

100 dagen voor de klas

Het zit er op voor Tim den Besten en Nicolaas Veul. Honderd dagen voor de klas met niet meer op zak dan een ultra korte crash cursus en een berg goede wil. Dat laatste hebben ze erg nodig gehad. Beiden erkenden de laatste dag ruiterlijk dat ze opgelucht waren dat het er op zat. 

100 dagen voor de klas. Het had gemakkelijk een reality-docu van het niveau ‘Jouw huis – Mijn huis’ kunnen worden, maar dat werd het gelukkig niet. Heel Nederland kon nu eens van dichtbij zien wat je allemaal moet kunnen om leraar of lerares op een school voor voortgezet onderwijs te zijn. ‘Het is een vak’, werd menigmaal verzucht. Dat klopt, een vak dat veel kennis en heel veel vaardigheid vereist. Bijvoorbeeld de vaardigheid om snel een klassensituatie te lezen zoals een piloot in zwaar weer zijn instrumenten leest. Welke signalen kan ik in deze situatie negeren en welke moet ik heel serieus nemen. Moet ik nu op mijn intuïtie vertrouwen of juist een time-out nemen en even rustig nadenken. Welke van de tips die in de lerarenkamer door de lucht vlogen moet ik nu gebruiken? Veel beginnend docenten hebben een jaar of twee nodig om vaste grond onder hun voeten te krijgen, om te leren vertrouwen op hun eigen kunnen. En daarvoor zat dan al een gedegen opleiding van een jaar of vier, met veel stage, de kunst afkijken bij ervaren vakmensen en zelf uitproberen. Tim en Nicolaas hadden maar honderd dagen. Op het moment dat het wat begon te worden, de ergste schrik voorbij was en de belangrijkste lessen geleerd, was het al weer voorbij. Tim en Nicolaas weten voor eens en voor altijd dat het een vak is, leraar zijn. Geen bezigheid of ‘een beetje aanleg en dan lukt het wel’. 

Aanvankelijk leek Nicolaas het meest getalenteerd met zijn overdosis enthousiasme, interesse in leerlingen en de relativering van de eigen rol, maar hij struikelde over een beginnersfout. Nicolaas vertaalde in zijn poging overeind te blijven de onderwijswet ‘altijd eerst verbinding maken met leerlingen’ naar ‘ik moet vriendjes met ze worden’. Daarmee ontwikkel je geen gezag. En zonder gezag rest slechts macht. Dan is de verbinding weg. Zijn leerlingen voelden dat haarscherp aan: eerst aardig doen en als het daarmee niet lukt bozig maatregelen nemen. Dan ben de ze kwijt.

De serie liet ook zien dat leerlingen laten leren door buitenstaanders zoals Tim en Nicolaas als vanzelfsprekend wordt vertaald met ‘ik vertel en jullie luisteren’. Op een enkele les na ging het over leerstof presenteren en opdrachten maken. Leren vraagt meer regie dan alleen dat. Denken op gang brengen bij vijfentwintig onrustige pubers die allemaal op hun eigen manier aandacht vragen, vraagt om vakmanschap dat je niet zomaar uit je mouw schudt.

Het is mooi dat de VPRO het zo integer in elkaar zette en dat de school en leerlingen zich wilde laten zien. Of het leraarschap als beroep voor jonge mensen die voor een studiekeuze staan er ook interessanter door is geworden, weet ik niet. Het werd heel duidelijk dat je ‘leraar zijn’ niet even uit je mouw schudt en dat het heel hard werken is. Dat is ook winst. Misschien zijn we nu van die domme gedachte af ‘dat als je nergens goed in bent, je altijd nog leraar kan worden’. Niks daar van: het is een vak.

Lees verder / reageer

Online onderwijzen

De Volkskrant schreef onlangs dat de corona crises een sprong voorwaarts voor het online onderwijs betekent. Een sprong voorwaarts? Het is prima dat het nu zo kan. En een deel van de winst die we daarmee boeken t.o.v. traditioneel onderwijs, moeten we proberen vast te houden als dit allemaal achter de rug is. Bijvoorbeeld met het online zetten van de perfecte (hoorcollege-) les over bepaalde thema’s zodat elke leerling toegang krijgt tot het verhaal van de allerbeste docent. Of door met bijvoorbeeld Teams ook buiten ‘lesuren’ contact te houden met projectgroepjes of leerlingen die door omstandigheden niet naar school kunnen. Maar een sprong voorwaarts? Laten we in vredesnaam niet gaan denken dat online onderwijs een goede les kan vervangen. Het is een hulpmiddel, niets meer en niets minder. Zelfs een heel goed uitgevoerde online les komt in kwaliteit van leren niet in de buurt van een goede ‘life’ les. En middelmatige ‘life’ lessen, worden helemaal een belabberd online gebeuren. Dat wordt bevestigd door digitaal heel ervaren collega’s. Collega’s die geen enkele moeite hebben met allerlei ondersteunende appjes en internetprogramma’s en kunnen ze lezen en schrijven met hulpmiddelen zoals Teams, maar die, niet onbelangrijk, ook heel goede docenten zijn zonder al die hulpmiddelen. Juist die collega’s blijken sceptisch als over een omslag naar digitaal onderwijzen gaat. In een goede les draait het om verbinding met je deelnemers, het voortdurend sturen op leeractiviteiten; het doelgericht en creatief omgaan met het leerproces in de groep. 

Een paar jaar geleden zag ik een ‘one-man-band’ optreden op een feestje. Met een soort electronisch orgel wat allerlei instrumenten weer kon geven, begeleidde de zanger zichzelf bij een 25 jaar goud van oud repertoire. Hij zong best goed, en alle instrumenten klonken net echt, maar een echt swing feestje wilde het niet worden. De muziek miste iets. Het was allemaal te foutloos, te geconstrueerd, net echt. Het miste de creativiteit van een life optreden met een drummer, gitarist, bassist en zanger die werkelijk met elkaar spelen. Zo is het ook bij lesgeven met Teams. Best aardig, maar nooit zo goed als in werkelijkheid. Het krijgt nooit de kwaliteit van life muziek. Door de klas lopend een leergesprek regisseren is iets anders dan met de knoppen leerlingen afwisselend het woord geven. Hoe soepel je ook met Teams-functies als poll, chat of break-out rooms kunt werken; een echt goede les wordt het niet. 

Online onderwijs kan een nuttige aanvulling op contact onderwijs zijn. Bijvoorbeeld met de perfecte uitleg, die iedereen zo vaak kan bekijken als hij wil, of wellicht in plaats van dat ene ongelukkige lesuur vrijdag het zevende waardoor leerlingen drie tussenuren zouden hebben. Of even een check-up met dat projectgroepje dat al twee lessen buiten school actief is. Maar laat het de goede les niet vervangen. Online programma’s zoals Teams zijn een hulpmiddel, niets meer en niets minder.

Goed onderwijs kan niet zonder goede les. 

Lees verder / reageer

Examens?

Het centraal schriftelijk eindexamen gaat dus niet door. Dat is even schrikken. Het is een groot besluit in onderwijsland. Examens zijn heilig. In school moet alles er voor wijken. De eerste schok rommelde nog na in mijn hoofd of het vooruitdenken begon al weer. 

Hoe erg is dat eigenlijk, geen examen? In de cultuur van het voorgezet onderwijs hebben we met z’n allen examens heel belangrijk gemaakt. Maar zijn ze dat eigenlijk wel? Goed beschouwd zijn de eindexamens VO zijn niet meer dan de vaststelling of de leerlingen geleerd hebben wat de opleiding wilde. Een verantwoording voor de buitenwacht. In school weet men als het goed is al lang hoe de vlag er voor staat. Leerlingen hebben vier, vijf of zelfs zes jaar dagelijks lessen gevolgd, huiswerk gemaakt, voor proefwerken gestudeerd, spreekbeurten gehouden en ga zo maar door. Het echte opleiden moet het niet hebben van die laatste drie maanden mag ik hopen. Zonder examen zijn al die jaren van leren en onderwijzen toch niet ineens weg. Daar is helemaal niets aan veranderd. Ze waren klaar, alleen dat rare examen nog even. En wat is nu belangrijker, die jaren van opleiding of die laatste maand? Natuurlijk, afronden met een mooi moment, het gevoel dat je hebt laten zien wat je kunt en de erkenning daarvoor met een diploma, is een voor de kandidaten betekenisvolle gebeurtenis; de kroon op jaren hard werken. Geen examen doen is alsof je jaren hard getraind hebt en dat dan de wedstrijd niet door gaat. Maar dat komt vooral omdat we die wedstrijd belangrijker gemaakt hebben dan het sporten op zich, om maar even in de metafoor te blijven. Anders gezegd, we hebben het examen belangrijker gemaakt dan het leren en onderwijzen. Dat afrondende feestje kun je op allerlei manieren vieren. Geen examen doen verandert niets aan het leren, het groeien in kennis en inzicht in de jaren daar voor. 

De examenresultaten onderstrepen dat. Slechts circa tien procent van de VO leerlingen slaagt niet in één keer voor het eindexamen. Dat zijn er eigenlijk heel weinig, en van die tien procent slaagt een aanzienlijk deel even later alsnog, na een stoomcursus en de zogenaamde ‘her’. 

Wat betekent dat voor de situatie nu? Dat betekent dat we meer dan negentig procent van de leerlingen weliswaar zonder examen, maar met goed vertrouwen aan het vervolg van hun leren en leven kunnen laten beginnen. Maar een heel klein deel heeft mogelijk iets essentieels gemist. 

Er gaat nu een streep door de laatste schoolweken. Er valt een stukje onderwijs weg van een periode die op scholen voor een flink deel gevuld wordt met centrale toetsen en allerlei andere vormen van afronding. Het is een misverstand dal al het leren dan juist plaatsvindt. Dat gebeurde allemaal daar voor. Die laatste weken onderwijstijd wordt  niet besteed aan veel opleiden maar vooral aan verantwoorden. Vaststellen waar leerlingen staan. Maar elke gewetensvolle docent weet dat al van zijn leerlingen, voor ze de die periode en de eindtoets in gaan. Grote centrale toetsen en examens hebben vooral als functie de verantwoording naar de buitenwereld, met daarbij nog de schijnzekerheid van een cijfer met een tiende achter de komma. Er is maar heel weinig objectieve waarheid in toetsen. Lees Roger Standaert in ‘De becijferde school’ er maar op na. De verantwoording mag er zijn, natuurlijk, maar hij lijkt in ons schoolsysteem de hoofdzaak geworden. De goede kant van de crisis nu is, dat we wellicht weer terug kunnen naar waar het in scholen werkelijk om draait: leren.

Nog een ondeugende gedachte tot slot. Wellicht is dit een goed moment om die massale jaarlijkse exercitie ‘centraal schriftelijk’ bij het grofvuil te zetten en van elke school een aantal leerlingen, steekproefsgewijs, een ‘test-centraal schriftelijk’ te laten doen om te kijken of de school min of meer aan de kwaliteitsnormen voldoet. Dat kan de rest van de docenten en leerlingen hun tijd energie besteden aan belangrijker dingen: aan leren en onderwijzen. 

Lees verder / reageer

Een ander virus

Er zit sinds een paar jaar een virus in school. In alle scholen. Niet levensbedreigend zoals het corona voor ouderen, maar één die het leren van jongeren bedreigt. Een poosje werd gedacht en gehoopt dat het wel over zou waaien of ingehaald door een volgende, maar dat is niet gebeurd en gaat ook niet gebeuren. Dit is een blijvertje. Ik heb het over het mobieltje.  

Zomaar een donderdag op een beroepsopleiding ergens in Nederland. Ik zit onopvallend achterin een lokaal en kijk naar wat er gebeurt. Op een paar plekken ligt het apparaat nonchalant binnen bereik, een half oortje in en een dwalende hand die nu en dan schijnbaar terloops een berichtje tikt. Een ander mobieltje ligt op een knie onder het tafelblad, bijna voortdurend in gebruik. Een paar leerlingen zitten gebogen over hun laptop waarop naast lesstof ook van alles voorbij komt wat niet echt in een school of deze les thuis hoort. Een meisje met een hoofddoek met haar oortjes eronder en met haar vrije hand voortdurend met de blik naar beneden met een mobieltje in de plooi van haar kleding in de weer. 

Na afloop vertel ik de docent wat ik gezien heb. Die zakt moedeloos onderuit. Of ik een oplossing heb?

Zoals bij vrijwel alles wat lastig is in de klas, is er niet één, allesomvattende oplossing. Was dat maar zo. Het is een illusie te denken dat het instellen van een simpele schoolregel ‘mobieltjes in de klas altijd in je tas!’ afdoende is, maar laten we bij het begin beginnen. 

Is het wel een probleem? Ja! Voor leren is aandacht nodig. Leren terwijl je aandacht voortdurend weg lekt naar je mobieltje is precies hetzelfde als zogenaamd luisteren maar onderhand voortdurend met iets anders bezig zijn. Het werkgeheugen heeft maar een beperkte capaciteit. Verdeelde aandacht leidt tot ongeordende brokjes informatie die hopeloos de weg kwijt raken. Er blijft altijd wel wat hangen maar zelden dat wat de bedoeling was.

Tegelijkertijd kan het mobieltje in de les ook een prima hulpmiddel zijn. Er zijn al talloze apps die leren ondersteunen, informatie of hulplijnen bij opdrachten, kort durende app groepjes bij samenwerkend- of probleem gestuurd leren, spreken en terugluisteren bij moderne vreemde talen, opzoek opdrachten… Mits goed gebruikt zijn dat uitermate effectieve vormen van leren.Het mobieltje uit school verbannen is niet de oplossing, hooguit uitstel van executie. Een horloge met dezelfde mogelijkheden is er al. Maar wat dan?

In de klas is de docent de leidinggevende. Zij of hij is de regisseur van het leerproces. Die regie dient met kennis, kunde en gezag vorm te krijgen. Achter dat laatste woord schuilt de oplossing. Docenten met gezag hebben geen school-breed verbod nodig hebben om het mobieltje van tafel te krijgen. Dat zijn docenten die vriendelijk èn beslist zijn. Consequent èn soepel en altijd in verbinding met de leerlingen. Het zijn docenten die niet moe worden het met leerlingen te hebben over waarom ze doen wat ze doen. Docenten die niet op alle slakken zout leggen, maar tegelijkertijd weten wanneer ze op hun strepen moeten gaan staan. Het zijn docenten die het met hun leerlingen hebben over het waarom van de spelregels en ook aanvoelen wanneer even niks zeggen beter is. Dat is niet gemakkelijk. Gezag leer je niet, dat ontwikkel je. Lesgeven is geen bezigheid, het is een vàk! Voor goed onderwijzen moet je veel in huis hebben. In de meeste lessen die ik zie verstoort het mobieltje meer leren dan het helpt.

Het mobieltje is een hardnekkig virus dat zonder goede behandeling fataal is voor het leren. Misschien kunnen we de time out die dat andere virus ons geeft gebruiken om nog eens goed na te denken over hoe we daar mee om moeten gaan.

Lees verder / reageer