Een minister voor het mbo!

Het nieuwe kabinet heeft een minister voor basis en voortgezet onderwijs, een minister voor hoger- en wetenschappelijk onderwijs en een minister voor…? Nee, geen minister voor mbo, dat vond men blijkbaar niet nodig. 

Dat is merkwaardig. Geen sector speelt zo’n belangrijke rol in de vormgeving van onze toekomst als het mbo. Geen klimaat doelstelling, geen miljoenen nieuwe huizen en al helemaal geen handen aan het bed zonder mbo.  We worden bedolven onder studenten met een master – blijkbaar de hoofdprijs op je cv. Theoretici, denkers adviseurs en creatievelingen te over, maar de mensen die het moeten doen, de vaklieden die het kunnen uitvoeren, daar komen we er steeds meer van tekort. We hebben vakkundige mensen nodig in de zorg,  mensen die de zonnepanelen op onze daken leggen, mensen die al die nieuwe huizen gaan bouwen, mensen die er voor zorgen dat de trein rijdt… En die moeten allemaal vakkundig opgeleid worden. Dat doet het mbo. Maar in de opleidingen van juist die sectoren loopt het aantal studenten terug.  Blijkbaar is werkeloos met een master een aantrekkelijker toekomst dan installateur zijn met meer dan genoeg werk. Daarbij is het mbo zwaar getroffen door alle corona beperkingen. Stageplekken verdwenen op slag, studenten raakten zoek; juist mbo opleidingen moeten het hebben van de nabijheid doen en leren. 

Het zal aloude onderscheid tussen hoofd of handen wel zijn. Je bent hoger of lager opgeleid. Middelbaar bestaat blijkbaar niet. Terwijl het toch de grootste groep is in ons land. De groep die inzicht en praktijk leert combineren. Maar daar is blijkbaar geen minister voor nodig. 

Het nieuwe kabinet begint met een pijnlijk missertje. Een blinde vlek voor het mbo heeft op termijn een hoge rekening. Zet de verwarming op het binnenhof maar een paar dagen uit. Misschien dat ze het dan een keer voelen.

Lees verder / reageer

Leeslijst?

Zou het boek Rumeiland’ vanSimon Vestdijk op de leeslijst van havo-vwo mogen?

Vestdijk, de man die sneller schreef dan God kon lezen. Meer dan vijftig boeken leverde hij af. Een paar meesterwerken, maar ook heel veel best aardige, goed geschreven romans, maar niet meer dan dat. Rumeiland is er daar één van. Hoewel de eerste uitgave uit 1940 stamt is het qua stijl, woordgebruik én thema nog zeer leesbaar. Het is een historische roman. Het neemt ons mee terug naar de 18e eeuw en beschrijft hoe een jonge Engelse jurist een onderzoek doet naar vermeende fraude op de suikerplantages van zijn familie op Jamaica. Ik kwam het boek tegen op de plank bij één van mijn favoriete antiquariaten. Nummer 10 uit het verzamelde werk van V. Bingo, die had ik nog niet. Afrekenen, inpakken en mee naar huis.

Inmiddels heb ik het gelezen. Geboeid én verbaasd. Het verhaal beschrijft het onderzoek van een jonge, nog wat wereldvreemde jurist met zijn jeugdige verwarring en onzekerheden en met een persoonlijke geschiedenis die hem in de weg zit bij wat hem te doen staat. Kortom een leesbaar, goed geschreven verhaal, ingebed in een groter thema dat je in neutrale woorden ‘de verhoudingen tussen de verschillende etnische groeperingen’ kunt noemen. En daar begint mijn verbazing. Het boek laat onverbloemd zien wat de gevolgen van slavernij en racisme waren voor het dagelijks bestaan van mensen met een andere achtergrond dan wit en Europees. Beter dan in welke geschiedenis les dan ook wordt je met je neus in de ruwe werkelijkheid gewreven. Het is een historische roman. Vestdijk schrijft de taal die de mensen toen spraken. Elke bladzijde staat vol met woorden die nu niet meer kunnen. Of mogen, net wat je wilt. Historisch correct? Vestdijk en ik waren er niet bij, maar het heeft er alle schijn van dat ze toen wél zo over ‘andere’ mensen spraken. Het zijn de woorden van toen. Het milder, correcter opschrijven zou geschiedvervalsing zijn.

Moeten we die boeken niet meer lezen? Maar wat als een leerlingen het op haar leeslijst zet? En maakt het nog verschil of dat een zwarte of een witte leerling is? En wat voor inzicht wil de docent horen als die over dit boek een spreekbeurt geeft. Wat mag er wel en niet hardop gezegd worden?

Er zullen leerlingen zijn die boeken over tweede wereld oorlog  aangrijpen om het fascisme te verheerlijken. Er zullen ook leerlingen zijn die Rumeiland van Vestdijk aangrijpen om racisme goed te praten. 

Ik weet het beter gemaakt: laten we Rumeiland verplicht stellen. Op de boekenlijst er mee. Maar dan wel bij geschiedenis. Bij de lessen over die zogenaamde ‘Gouden Eeuw’. Als aandacht voor de keerzijde.

Lees verder / reageer

De docent is onmisbaar!

In het beroepsonderwijs waren allerlei nieuwe begrippen rond. Er is gepersonaliseerd leren, praktijk gestuurd leren, hybride leren, blended learning, High Impact learning… Men noemt het onderwijsconcepten, of strategieën en bedoelt er mee te zeggen: zo wilen wij ons onderwijs vorm geven. Zoveel opleidingen zoveel vormen. Maar wat is de zin en onzin van al die verschillende ‘concepten’?

Een paar grootste gemene delers zijn er wel. Ze hebben allemaal vier dingen gemeen: 1. Ze gaan ze uit van een grote inbreng van de student, anders gezegd zelfsturend leren staat hoog in het vaandel. 2. Er wordt er een grote nadruk gelegd op het leren in en van de praktijk 3. Veel aandacht voor individuele verschillen tussen studenten in leerdoelen en leerwegen en 4. het inpassen van online leren.

Opleidingen smeden uit deze vier bestanddelen hun eigen onderwijsvorm, vaak ook met een eigen naam. Maar steeds weer zie je dat het vooral om deze vier kenmerken gaat.

Het lastige is dat al die verschillende onderwijsvormen veelal niet verder zijn uitgewerkt dan op hoofdpunten. Dat is ook wat een concept is: een ontwerp op hoofdlijnen. In de praktijk blijkt de gemeenschappelijke struikelsteen het blind afgaan op het zelfsturend vermogen van de studenten. Iedereen die het mbo kent weet dat de verschillen tussen studenten enorm zijn, juist daar. Zelfsturing als uitgangspunt nemen is dan dun ijs om op te lopen. Dat vraagt heel veel van de begeleidende docenten. En ook daar zijn de verschillen in opvattingen en invulling van de taak enorm. 

Filip Dochy’s, de geestelijk vader van High Impact Learning, schreef er een goed gedocumenteerde boek over: Bouwstenen voor high impact learning (Boom, 2020) Net als Alex van Emst (Koop een auto op de sloop, 2014) zoekt hij de sleutel tot zelfsturing in de betekenisvolle taak, de door de student ervaren urgentie om te leren als hij voor een échte probleemsituatie staat. Maar ook dan gaat het vaak nog mis. 

‘Ze moeten het zelf doen…’ 

Maar wat als je nu werkelijk geen idee hebt hoe? Al die nieuwe vormen staan of vallen met de rol opvatting van de docent of begeleider. Er vanuit gaan dat de gemiddelde mbo-student zomaar zelfsturend leert, is onzin. De docent is onmisbaar. 

Lees verder / reageer

Progressief achteruit?

Kirschner & co schreven een zwartboek over het onderwijs – Progressief achteruit -en boden het de kabinetsformateurs aan. Geen officiële aanbieding, met een net ‘dank u wel’ van de verantwoordelijk minister, maar meer als een schot hagel. Wie weet treffen we iets. Nou, mij bijvoorbeeld.

Er staat zin en onzin in het verhaal. Wat doen we eerst? Beginnen met de positieve feedback? Kirschner moet met zijn ‘evidence based’ benadering weten dat dat de effectieve manier van reageren is. Maar met die houding schrijf je geen zwartboek. Een vriendin uit het bestuurlijke (onderwijs) circuit mailt dat zwartboek schrijvers vaak hoogst irritante karakters zijn. Alle negatieve energie wordt tegen het papier gegooid. Die toon klinkt hier ook. Ik wordt er een beetje dwars van als ik het lees. Dat schiet niet op als je wat veranderen wilt. Terug naar de eerste vraag: wat is er goed in het verhaal?

Nou, bijvoorbeeld dat gepersonaliseerd leren een uiterst dubieus concept is en ook dat er veel te veel tijd, geld en energie gaat zitten in de beheerslaag van grote onderwijsorganisaties. Allebei helemaal waar. En dat het uiteindelijk gaat om de kwaliteit van leren en onderwijzen. Ook helemaal mee eens, maar dat wist u al van mij.

Maar verder staat er vooral veel klinklare onzin in. Het getuigt van een broodmagere visie op onderwijs met weinig aandacht voor de vraagstukken waar scholen in deze tijd voor staan. Het is de tunnelvisie kennis, kennis, kennis, verkocht als heilige graal, op een toon die niet uitnodigt tot gesprek. Onder welke steen heb je geleefd als je meent dat zogenaamde ‘soft skills’, persoonlijke ontwikkeling en het leren omgaan met keuzes, geen plek verdienen in het onderwijs? Kijk een kwartier om je heen op straat, lees de krant, kijk een avond tv en ga je schamen. Kirschner & co willen alleen maar veel kennis. Voor studenten en voor leraren. En voordat ik in de omgekeerde val trap: ja, kennis doet er toe! Je hebt kennis nodig om kennis te vergaren. Maar zie waar de jarenlange eenzijdige focus op toetsbare kennis ons gebracht heeft. Ik hoef de maatschappelijke dilemma’s waar we nu voor staan niet voor u uit te spellen. Die los je niet op met het verhogen van kennisdrempels. Die los je op met dialogen, luisteren, goede vragen stellen, doorvragen en uitproberen. Met je leerlingen leren denken in plaats van bekvechten. Dat zijn de ‘soft skills’ die Kirschner & co bij een in hun ogen gebrek aan toetsbaarheid, achteloos in de vuilnisbak schuiven. Ga Filip Dochy lezen over anders toetsen. En in elk geval ‘Het onderwijs becijferd’ van  Roger Standaerd. Allebei collega’s van onbesproken wetenschappelijke kwaliteit. Kirschner & co moeten blijkbaar niets hebben  van Biesta’s drieslag kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming als de drie doelen van onderwijs. Ze blijven steken in een lofzang op kennis en directe instructie terwijl dat in veel gevallen leidt tot  plat, frontaal onderwijs: leren voor de korte termijn.

Ik heb mijzelf beloofd in de buurt van de vijfhonderd woorden te blijven en ik zit er al weer dik overheen. Ooit was ik redacteur van een onderwijstijdschrift met de rubriek ‘De pedaalemmer’. Daarin verdween dan een boek, publicatie of artikel dat beter niet had kunnen verschijnen.

Die pedaalemmer heb ik gelukkig nog.

Lees verder / reageer

Vrijheid van onderwijs

Er is een rapport verschenen over de vrijheid van onderwijs. Wat dat precies is staat in artikel 23 van de grondwet. Nederland is uniek in de wereld met zijn in de grondwet vastgelegde recht om je eigen school op te richten. Vrijheid blijheid. De spelregels zijn niet zo dat je dat een twee drie voor elkaar hebt, maar het kan. En met volledige subsidie. Die zogenaamde ‘bijzondere’ scholen komen steevast van tijd tot tijd in opspraak. Meestal omdat ze leerlingen iets verbieden of juist opleggen waar de rest van Nederland met zijn gezond verstand niet bij kan. En dan verschijnt er na een paar incidenten een kritisch rapport. 

Gert-Jan Segers van de ChristenUnie was er als de kippen bij om te verklaren dat het een prima rapport was. Het was goed dat het bijzonder onderwijs er was. Het is maar wat je lezen wilt. Als je niks wilt veranderen moet je een rapport laten schrijven denk ik wel eens. 

Ooit zat ik zelf op het bijzonde onderwijs. Ik heb er geen slechte herinnering aan. Na schooltijd gooiden we stenen naar leerlingen van de openbare school twee straten verderop. Ook naar die van de katholieke basisschool overigens. Niet dat we precies wisten wat dat was, maar het was anders dus verkeerd.

De christelijke mulo die daarop volgde was een prima oefening in puber zijn. Ze waren streng in de leer; een mooi voorbeeld van ‘onvrijheid in onderwijs’. Het gaf mij de gelegenheid mij ernstig te verzetten, iets waar ik in die jaren erg behoefte aan had. 

De afgelopen vijfentwintig jaar zag ik talloos veel lessen. Heel goede, heel slechte en alles er tussenin. In het openbaar onderwijs én in het bijzonder onderwijs. Ik zag jongens en meisjes streng gescheiden zitten, ik zag lessen waarin meisjes stelselmatig geen enkele vraag kregen en lessen waar helemaal niemand een vraag kreeg. Lessen waar de docent de waarheid over leerlingen uitsmeerde als teer over asfalt,

We hebben geen behoefte aan bijzonder of openbaar onderwijs. We hebben behoefte aan goed van onderwijs. Onderwijs dat in dienst staat van het leren en ontwikkelen van jonge mensen in plaats van hen op te sluiten in welke in beton gegoten opvatting dan ook. 

Op zo’n echt goede school heb ik ook nog even gezeten. En ik was er rebelser dan ooit, waar overigens op buitengewoon intelligente wijze mee werd omgegaan. Zo leerde ik toch nog wat tussen het dwarsliggen door.

Laten we scholen afrekenen op hun kwaliteit van onderwijs. Als we dat écht deden, was dat rapport waarschijnlijk helemaal niet nodig geweest.

Lees verder / reageer